Binet speelt het spel tot in de finesses

Zijn grote doorbraak kende Binet met zijn roman HhhH, waarin hij de moord op Reinhard Heydrich en de gevolgen daarvan voor het Tsjechische verzet op eigen gerijde wijze de wereld van de literatuur in fietst. Dit boek werd van lovende reacties voorzien. Met De zevende functie van taal gooit Binet opnieuw hoge ogen. Deze keer reconstrueert hij niet een moord, maar wordt een dodelijk ongeluk vertaald naar een doelbewuste moord. Slachtoffer: Roland Barthes.

Het boek wordt gebouwd om de wereld van de structuralisten en post-structuralisten in de tweede helft van de twintigste eeuw. De auteur is voortdurend in de weer met het spel van talige en culturele tekens en achterliggende betekenis, een discipline die luistert naar de naam semiotiek. Binet weet met de titel van zijn boek de lezer gelijk in de wereld van de linguïstiek en semiotiek te trekken. De theorie van de Russische linguïst Roman Jakobson stelt dat er zes verschillende taalfuncties zijn. De zevende functie van taal is een directe verwijzing naar deze visie van Jakobson.

Een korte kennismaking met het slachtoffer kan geen kwaad. Roland Barthes was een Franse cultureel filosoof, die zich eerst zag als leerling van Sartre, maar later in het verlengde van de linguïst Ferdinand de Saussure zich zou verdiepen in de betekenis van talige en culturele tekens. Het slot van zijn filosofische carrière is een professoraat aan het Collège de France, waar hij semiotiek doceert. Een belangrijke bijdrage levert Barthes met zijn visie op connotatie. Dit is de tegenhanger van denotatie (de letterlijke betekenis van een woord, zoals in het woordenboek staat). De connotatie is een dieper liggende en deels verborgen betekenis. De structuralisten zoeken deze verborgen betekenissen op. Barthes doet dit onder andere op voortreffelijke wijze in zijn Mythologieën.

Barthes en andere structuralisten en poststructuralisten gaan het spel met de talige en culturele tekens aan. Zij pellen allerlei objecten en teksten af (de Citroën DS, de striptease, de verkiezingsposters). Met het gevaar de lijn tussen feit en fictie in heel dun potlood te trekken. Zoals de structuralisten het spel met de tekens aangaan, zo gaat Binet het spel aan met de filosofische visie van de structuralisten en post-structuralisten. Hij laat gedurende de gehele roman zien dat hij die spel tot in de finesses beheerst. De door Barthes geniaal geanalyseerde DS keert bijvoorbeeld meerdere keren terug in de roman. Binet speelt het spel met feit en fictie mee, hij verzint er lustig op los en verweeft dat met feiten uit de geschiedenis van de Franse filosofie van de tweede helft van de twintigste eeuw.

Binet speelt het spel zonder enige twijfel op grootse wijze. Maar zoals dat gaat met spelen van een spel, je moet de regels wel kennen om het spel te snappen en deel te kunnen nemen. Dat is bij deze roman niet anders, enige kennis van de structuralistische stroming en de semiotiek maakt de roman een stuk interessanter en begrijpelijker. Daarmee heeft Binet een drempel opgeworpen voor zijn lezerspubliek. Het aantal directe en indirecte verwijzingen naar teksten van Barthes, Foucault en andere denkers is enorm. Het boek van Binet is daarmee een web van intertekstualiteit bij uitstek. Maar met enige kennis van het spel, is dit boek een plezier om te lezen. Het zou me overigens niet verbazen dat de verkoop van de Mythologieën van Barthes in Frankrijk weer flink zijn gestegen, aangezien Binet het verhaal van de structuralisten prachtig opschrijft.

De zevende functie van taal
L. Binet
Meulenhoff, 2015
ISBN 9789029091138