filosofie, taal en politiek

Categorie: Boeken

  • Postmodernisme, radicale of ridicule verlichting?

    Postmodernisme, radicale of ridicule verlichting?

    Het is een van de vijf titels die kans maakt op de Socrates Wisselbeker 2015. Ze is de enige vrouw op de shortlist en met Macht en onmacht schreef ze een indrukwekkend en oorspronkelijk boek over de postmoderne filosofie en haar gevaren. Het boek pakt de lezer meteen met de ondertitel Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting. Op de achterflap neemt de wil tot lezen alleen maar toe door woorden als ‘(…)verkent Tinneke Beeckman de oorzaken van de maatschappelijke vertwijfeling’. Het werk wil de aandacht vestigen op de – het lijkt soms wel vergeten – idealen van de Verlichting van vrijheid en waarheidsvinding. Beeckman laat zien hoe het postmoderne denken deze idealen uit onze gedachten heeft weten te verdrijven en tot welke consequenties dat leidt. Wat maakt dat de postmoderne filosofie een zo vertwijfelde samenleving heeft opgeleverd en wat zijn daar de risico’s van?

    De postmoderne filosofie, wat is het?

    Om de herkomst van die vertwijfelde samenleving in beeld te brengen kiest Beeckman ervoor allereerst het postmoderne denken an sich in beeld te brengen en daarna te kijken naar de herkomst van dat denken. Opvallend is dat de postmoderne filosofie toch haar kinderkamer kent in de Franstalige wijsgebeerte met denkers als Derrida en Foucault en dat Beeckman de herkomst van dat denken vindt in de Duitstalige denkwereld van voornamelijk Nietzsche en Heidegger. Wat is nou het uitgangspunt van die postmoderne filosofie? Je zou het in een woord kunnen vatten: wantrouwen.

    Het postmoderne denken – althans, de rode lijn, want van een gezamenlijke visie was geen sprake – ziet de mens niet langer als onderdeel van de filosofie. Ze richt zich vooral op de taal. Die gerichtheid op de taal maakt dat voor de postmoderne denker de woorden en de zinnen kennis brengen, niet de mens. Maar deze kennis is allerminst neutraal, ze is gekleurd door machtsstructuren en hierarchie. De omslag die denkers als Derrida en Foucault voor ogen hebben is van een verticale kennishierarchie naar een horizontale. In de Encyclopedia of philosophy valt te lezen dat het postmodernisme wars is van hierarchie, continutiet, vooruitgang.

    In zekere zin is de postmoderne filosofie een revolutionaire vorm van het verlichtingsdenken van Kant. Waar Kant en zijn metgezellen uit waren op het niet langer denken in vormen van hiërarchie en het volgen van het godsbegrip, vallen de postmoderne denkers de verlichtingsidealen van rede, rationaliteit en het geloof in de mens als autonoom wezen aan.

    ‘Postmoderne denkers bekritiseren twee belangrijke ideeën die de moderne denkers van de zeventiende tot de negentiende eeuw aannemen, namelijk dat de mens de maat is voor politieke en morele waarden, en dat de rede de mens kan emanciperen.’(p. 15)

    De herkomst, Nietzsche en Heidegger

    Beeckman schrijft een deel van de herkomst van dat postmoderne denken toe aan de negentiende-eeuwse Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. De man die onze moraal koppelde aan een slavenmentaliteit en die God dood verklaarde in zijn De vrolijke wetenschap. Waar het postmoderne denken en Nietzsche elkaar ontmoeten is op het punt van de objectiviteit. Nietzsche stelt dat zo’n begrip niets anders is dan het tegen elkaar afwegen van de voors en tegens. Als kritisch denker neem je steeds meer tot je, waardoor je een bepaald perspectief creëert, vanuit dit perspectief maak je een afweging over hoe objectief bepaalde denk- en zienswijzen zijn. Hierin is voor absolute waarheden simpelweg geen ruimte.

    Nietzsche uit hevige kritiek op het Verlichtingsdenken. Hij stelt dat het humanisme het vrije denken niet werkelijk heeft omarmd. Want hoewel de humanisten het dogma van god hebben bestreden, omarmen ze eenzelfde soort systeem: het geloof in idealen. Door te geloven en vast te houden aan de rede en de ratio blokkeren de humanisten het echt vrije denken.

    Naast Nietzsche ziet Beeckman ideeën van Heidegger als gedeeltelijke oorsprong van de postmoderne filosofie. Heidegger kent een heel andere methode dan Nietzsche, een methode die tot dan toe ongebruikelijk was. Heidegger is in alles – althans de vroege Heidegger van Sein und Zeit– een taalfilosoof. Een denker die de taal en haar herkomst gebruikt om tot diepere inzichten te komen. Hij gebruikt hiervoor de etymologische waarde van de taal: achterhalen wat de ware bron van een hedendaags woord is, om tot de kern van de taal toe te kunnen treden.

    ’De etymologische aanpak strookt met de fundamentele vooronderstelling van Heidegger de taal bevat, in haar oorspronkelijke lagen, een diepzinnige, existentiële getuigenis over de lotsbestemming van de mens.’(P. 81)

    Zowel bij Nietzsche als bij Heidegger is de invloed op het postmodernisme vooral op basis van de door hen gehanteerde methode. Nietzsches methode van de twijfel en het wantrouwen en Heideggers taalfilosofische methode van de etymologische waarde van de taal in combinatie met Heideggers visie op de techniek.

    De gevolgen

    Het gedachtengoed van het postmodernisme zoals hierboven uiteengezet heeft directe gevolgen voor het onderscheid tussen waarheid en onwaarheid. Een grens die binnen het postmodernisme mistig wordt. Met het uitgangspunt van hiërarchie en machtsstructuren valt de basis onder echt wetenschappelijke kennis weg. Die kan niet bestaan als ieder argument wordt ingekaderd in het principe van macht en hiërarchie. Juist door deze houding wordt het kritisch denken in de kiem gesmoord en wordt complotdenkers een rode loper uitgelegd. Want in een wereld van horizontale kennishierarchie heft wetenschappelijke kennis geen enkele meerwaarde meer ten opzichte van andere kennis en heeft het wantrouwen gezegevierd over het vertrouwen.

    Om het beeldend te verwoorden: het postmodernisme heeft een goed geordend bos waar feit en fictie van elkaar konden worden gescheiden, veranderd in een warrig oerwoud. De verhoudingen zijn zoek.

    ‘Het probleem is echter dat er geen norm, geen maatstaf meer is om waarheid van onwetendheid te onderscheiden.’ (p. 171)

    Macht en onmacht is een boek dat nieuwe inzichten geeft, de geest aanscherpt en de mogelijke gevolgen van een onkritische houding laat zien. Beeckman laat zien hoe Rorty de mist in gaat en waarom we allemaal Truth and Truthfulness van de Britse filosoof Bernard Williams moeten lezen om tegengas te geven aan het postmoderne denken. Ze bepleit discussies anders te gaan voeren, niet bij terreur constant naar sociaal-economische vaardigheden te wijzen, maar de lef te hebben daar buiten te stappen. Dit boek daagt de lezer uit buiten de veilige kaders te denken, de grenzen van het denken te verleggen. Dit alles gekoppeld aan een actueel thema, de aanval op de vrijheid van meningsuiting in Europa door fundamentalisten.

    Macht en onmacht

    T. Beeckman

    Uitgeverij De bezige bij

    9789085426097

  • Kritiek op het bijkans heilige

    Kritiek op het bijkans heilige

    Het is in Nederland een zich eens in de vier jaar herhalend fenomeen en eind dit jaar is het weer raak in de Verenigde Staten: verkiezingen. Het systeem dat simpel gezegd inhoudt dat iemand eens in de zoveel jaar een vakje inkleurt.We kennen het systeem in de westerse democratieën al een flinke tijd. Een systeem dat zelden tot nooit ter discussie wordt gesteld. David Van Reybrouck durft het aan in zijn essay Tegen verkiezingen.

    Het is een essay over de basis van de politieke filosofie: de zoektocht naar een balans tussen efficiënte en legitieme besluitvorming. De Vlaamse schrijver stelt het gehele systeem ter discussie. Dat doet niet niet uit de losse pols, hij stelt eerst de ziekte van het systeem vast en brengt alternatieven in beeld. Het is een ware ontdekkingstocht.

    Het Democratisch Vermoeidheidssyndroom

    Het essay van Van Reybrouck is opgebouwd in vier delen: symptomen, diagnoses, pathogenese en remedies. Opgebouwd op basis van een medisch dossier. De ziekte die wordt onderzocht luistert naar de naam Democratisch Vermoeidheidssyndroom (DVS), een ziekte die volgens Van Reybrouck heerst bij Westerse democratieën. Dit wordt onder andere uitgedrukt in het aantal kiezers dat de stembusgang links laat liggen.

    Electoraal absenteïsme is de belangrijkste politieke stroming in het Westen aan het worden, maar daar gaat het nooit over. (p.14)

    De massale afwezigheid van de kiezers bij een stembusgang is volgens de schrijver een van de symptomen van het DVS. Van Reybrouck ziet dat de politieke daadkracht afkalft. Dit is volgens hem het gevolg van de steeds kortere periodes van regeren door instabielere kabinetten, de steeds langer durende kabinetsformaties en de steeds verder dichtgetimmerde regeerakkoorden. Dit geheel maakt dat het politieke systeem uit balans is geraakt. Het is een systeem dat piept en kraakt. Waardoor dat piepen en kraken wordt veroorzaakt, is de tweede stap van het medisch dossier.

    De diagnoses

    Voor het Democratisch Vermoeidheidssyndroom ziet Van Reybrouck een viertal mogelijke diagnoses, gericht op de democratie en hoe zij is vormgegeven. Hij wijst vier mogelijke schuldigen aan: de politici, de democratie, de representatieve democratie en tot slot de electoraal-representatieve democratie. De eerste van deze vier zou de weg van het populisme zijn, de tweede werkt de technocratie in de hand en de derde vraagt om een directe democratie, het buitenparlementaire parlement.

    De drie remedies die ik tot dusver heb besproken lijken mij stuk voor stuk gevaarlijk: populisme is gevaarlijk voor de minderheid, technocratie is gevaarlijk voor de meerderheid en antiparlementarisme is gevaarlijk voor de vrijheid. (p. 38)

    Dat maakt volgens Van Reybrouck dat de werkelijke schuld van het DVS ligt bij de electoraal-representatieve democratie. Kortom, het zijn de verkiezingen. De auteur stelt vast dat het probleem van het DVS ligt aan het systeem van de verkiezingen. We zijn in zekere zin blind geworden voor de gevaren van het systeem, de gevaren van de verkiezingen voor de democratie.

    Hier ligt de grondoorzaak van het Democratische Vermoeidheidssyndroom: we zijn allemaal electorale fundamentalisten geworden. (p.41)

    De schrijver ontkent niet dat verkiezingen ons veel hebben gebracht, hij onderschrijft dat juist. Maar vier factoren hebben het fungeren van de verkiezingen bemoeilijkt. Deze vier factoren komen gaandeweg tot stand. Dat begint aan het einde van de negentiende eeuw en eindigt in het heden. Dat tijden veranderen is bekend, de vraag hoe de democratie het beste fungeert is ook afhankelijk van de historische periode. De vier factoren die in de loop van de tijd zijn verandert zijn: het algemene kiesrecht, oprichting van politieke partijen, commerciële media en de mogelijke doodsteek: de sociale media. De verkiezingen en het systeem van representatie zijn gebaseerd op een samenleving die verticaal is, terwijl de vier ontwikkelingen er langzaam maar zeker voor hebben gezorgd dat de huidige samenleving veelal horizontaal is. We hebben de democratie in de loop van de tijd in het keurslijf van de verkiezingen gedrukt. Een systeem dat volgens Van Reybrouck niet meer de meest wenselijke balans heeft tussen efficiëntie en legitimiteit. Dit keurslijf van verkiezingen dreigt de democratie fataal te worden.

    Hoe zijn we er gekomen?

    De kern van het probleem ligt in de electoraal-representatieve democratie. Van Reybrouck schetst hoe in de loop van de geschiedenis aan het principe van de democratie vorm werd gegeven. Hij begint daarmee in het klassieke Griekenland. Om precies te zijn, het oude Athene. Daar kende men een democratie van directe participatie. De totstandkoming van die participatie kwam niet aan de hand van verkiezingen tot stand, maar door middel van loting. Om de participatie zo groot mogelijk te krijgen, koos men ervoor om los van de loting ook rotatie toe te passen. Om dit te vergelijken met het systeem van verkiezingen, citeert Van Reybrouck de klassieke denker Aristoteles:

    Vrijheid is niet: steeds zelf de macht hebben. Vrijheid is evenmin: je niets hoeven aan te trekken van de macht. Vrijheid is nog minder: je slaafs neerleggen bij de macht. Vrijheid is het evenwicht tussen autonomie en loyaliteit, tussen regeren en geregeerd worden. (p. 66)

    Het principe van loting komt aan het einde van de middeleeuwen terug in Italiaanse stadstaten zoals Venetië. Dit alles in een systeem waar de grote massa geen macht had en er nog sprake was van een standenmaatschappij.

    Die standenmaatschappij kent haar einde met de Franse Revolutie. Op dat moment viel het stelsel van macht dat binnen de standenmaatschappij gold uiteen. Met het principe ‘de koning is dood, lang leven de koning’ bracht het wegvallen van het ene machtssysteem een ander machtssysteem. De leiders van de Franse Revolutie hebben dit nieuwe systeem ingevuld, waarbij duidelijk werd dat de massa niet daadwerkelijk aan de macht moest komen. Om dit te voorkomen, werden er verkiezingen in het leven geroepen. Dit maakt dat juist de verkiezingen de aristocratie in stand wist te houden. Een nieuwe elite nam de macht over van de oude elite, door middel van de verkiezingen. De elite bepaald op deze manier zelf op wie kan worden gestemd.

    De Franse Revolutie, (…), verjoeg geen aristocratie om haar te vervangen door democratie, maar verjoeg een erfelijke aristocratie om haar te vervangen door een gekozen aristocratie. (p. 88)

    Hoe nu verder?

    Van Reybrouck toont lef door een bijkans heilig systeem van de verkiezingen zo te bekritiseren, of althans: in een zo duidelijk historisch perspectief te plaatsen. De remedie voor het DVS is volgens hem een teruggang naar de klassieke tijd: het principe van loting. Hij laat in zijn essay een reeks aan eigentijdse al gedane experimenten met loting de revue passeren. Experimenten die vragen om durf, om out of the box denken. Dit soort experimenten vraagt om vertrouwen in elkaar, in plaats van het wantrouwen dat de aanvang was van het systeem van verkiezingen.

    Van Reybrouck heeft een uitdagend essay geschreven, dat op bepaalde momenten een echte eye-opener is. Dit essay is verplichte kost voor een ieder die zich op wat voor manier dan ook maar betrokken zijn bij het politieke domein. Het is een ontdekkingstocht, maar met de niet mis te verstande titel is het al duidelijk welk oordeel in het essay zal worden geveld. Het is derhalve een ontdekkingstocht met een zekere mate van voorspelbaarheid. Laat nou net die voorspelbaarheid bij loting geen rol spelen.

    Tegen verkiezingen
    D. V. Reybrouck
    De bezige bij
    9789023474593

  • Pegida, symptoom van een fenomeen

    Pegida, symptoom van een fenomeen

    De storm is langzaam maar zeker weer gaan liggen, het aantal demonstraties nam zienderogen af. Maar de stormachtige opkomst van Pegida heeft zijn weerslag gehad en heeft de gemoederen lang bezig gehouden. De oproer rondom Pegida moet worden gezien als een symptoom van een veel bredere beweging in de moderne Westerse democratieën. Pegida is een onderdeel van een veel groter fenomeen. Zo ziet ook filosoof en filmmaker Jurriën Rood het. Hij analyseert de opkomst van Pegida en het grotere fenomeen waar die opkomst deel van uitmaakt in zijn boek De kwestie Pegida. Rood gebruikt Pegida als ware het een rode draad door zijn verhaal, een rode draad waaromheen hij een fenomeen analyseert, de problemen benoemt en de openingen voor een oplossing in beeld brengt. Het fenomeen waar de schrijver zich op richt heeft betrekking op de vraagstelling rond integratie en de opvang van vluchtelingen en in het verlengde daarvan de plaats van het islamitische geloof in de westerse samenleving. Hieraan koppelt de schrijver de waarde die wij hechten aan de vrije meningsuiting, maar ook hoe we de regels van de vrije mening vergeten zijn.

    Waarom juist een filosoof dit boek moest schrijven? Volgens Rood omdat de filosoof als geen ander de discussie vanuit een andere invalshoek kan belichten en op die manier ook andere minder voordehand liggende oplossingen kan bieden. De centrale uitdaging die volgens Rood voorligt is hoe de samenleving vorm kan worden gegeven, hoe je een basis kunt formuleren voor een stabiele maatschappij.

    Wat is de herkomst van de groei van een beweging als Pegida? Het onderliggende gevoel is er een van angst en bezorgdheid. Bezorgdheid over de immigratie, bezorgdheid over de stroom van vluchtelingen en het islamitische geloof. Bezorgdheid over wat deze nieuwe ontwikkelingen voor de westerse democratieën gaat betekenen. Dat deze bezorgdheid zich op deze manier uit, in deze hevigheid, is volgens Rood voor een deel het gevolg van de jarenlange politieke correctheid die het publieke debat domineerde. De algemene stellingname was dat elke vorm van onderscheid maken tussen mensen neerkwam op discriminatie. Dit geluid werd van meet af aan de kop ingedrukt. Met als gevolg dat dit taalgebruik en deze als ongepast getypeerde mening als een veenbrand buiten het publieke debat bleef voortbestaan. Bij-effect van deze politieke correctheid was dat er steeds minder aandacht was voor de mening van de ander. De onwelgevallige meningen werden simpelweg in de doofpot gestopt. Daardoor verwerd het recht op vrije meningsuiting tot een recht de eigen mening te promoten, zonder aandacht te schenken aan de mening van de ander. De schrijver brengt daarom onder de aandacht dat je op basis van het recht van vrije meningsuiting ook een plicht hebt tot meningsontvanging. Het werkt dus twee kanten op. Daarom spreken we ook van een dialoog, niet van een tweezijdige monoloog.

    De veenbrand die zich onder de oppervlakte kon ontwikkelen kwam aan het begin van de 21e eeuw tot volle ontwikkeling. Het openlijk twijfelen aan de geslaagdheid van de multiculturele samenleving en in het verlengde daarvan de uitgesproken angst voor islamitische invloeden kwam los met het opiniestuk van politicoloog Paul Scheffer. In het verlengde van Scheffer was het vooral de opkomst van Fortuyn en het fortuynisme die het openlijk onderscheid maken en harde kritiek leveren geaccepteerd maakte bij het brede publiek.

    De instabiele samenleving

    Gevolg van dit alles is een instabiele samenleving, die fel reageert, waar discussie strijd is geworden en waar angst regeert. Om hier tot een oplossing te komen duikt Rood de schatkamer van de filosofie in. Hij komt terecht bij twee denkers uit de Verlichting, Baruch de Spinoza en John Locke. Op basis van hun theorieën over tolerantie en de staat komt Rood tot een drietal basisprincipes die zouden moeten gelden voor een stabiele en redelijke staat: scheiding van kerk en staat, tolerantie van verschillen en geweldsmonopolie van de staat.

    Deze drie basisprincipes moeten volgens de auteur de basis vormen voor een goede, fatsoenlijke en stabiele samenleving. Een maatschappij waar alle ruime is om een echte dialoog te voeren en waar we weer bewust zijn van ons vermogen tot overbrugging. Het is een krachtige oproep tot samenwerking. Een oproep die ik van harte ondersteun.

    Op deze door Rood geformuleerde drie-eenheid wil ik de aandacht vestigen. Met de drie basisprincipe schetst Rood een nieuw sociaal contract voor de vormgeving van de staat. Aan het slot van zijn boek heeft de schrijver ook een voorbeeld voor een dun sociaal contract opgenomen. Hij grijpt hiermee terug naar een principe waar de Engelse filosoof Thomas Hobbes de geestelijk vader van is.

    Om een goed beeld te krijgen van wat het sociale contract precies was, is het goed even terug te gaan naar deze periode in de geschiedenis van de filosofie. Het beginpunt van Hobbes’ politieke denken is de stelling dat Aristoteles fout zat, toen hij beweerde dat de mens van nature een sociaal wezen is. De mens is dat volgens Hobbes geenszins, het is veel meer individu. Die mens leeft in onzekerheid. Vanuit deze onzekerheid komt een vorm van wantrouwen richting de ander. Op basis van zo’n gevoel van wantrouwen kan nooit een natuurlijk goedgeordende samenleving worden gecreëerd. Hobbes stelt dat er een soeverein aan te pas moet komen om orde en vrede te kunnen scheppen. Om tot dat punt te komen moet de mens rechten overdragen aan de soeverein. Dát is het sociaal contract bij Hobbes.

    Rood schat de huidige instabiele situatie het gevolg is van een wantrouwen richting de ander, een wantrouwen dat zich uit in de wijze van debatteren. Daarom is juist de erkenning van de drie basisprincipes een noodzakelijke stap. Hij ziet dit overigens niet louter als het opleggen van bepaalde afspraken, het is meer:

    Aanvaarding van dit contract houdt niet alleen een conformeren aan de grondregels van de samenleving in, maar evengoed het profiteren van alles positieve gevolgen ervan. (p.66)

    Met dit sociale contract komen we volgens mij tot de kern van Roods boek. Hij vliegt de oplossing aan vanuit een politiek-filosofisch kader. Hij geeft antwoord op de vraag hoe we de samenleving op een goede wijze vorm kunnen geven, zodat er daadwerkelijk sprake is van een sámen-leving. De zoektocht van de schrijver richt zich dus op het vormgeven van de staat. Waar het om migratie en integratie gaat, waar het om opvang van vluchtelingen gaat, is er een rol weggelegd voor de politieke filosofie. De keuze van Rood om te zoeken naar een politiek-filosofische oplossing volgt logischerwijs uit de geschetste probleemvraag. Het is een passend vervolg op zijn analyse en uiteenzetting.

    Een vraag te ver

    Toch slaat Rood volgens mij een stap over. Want er ligt hier mijns inziens nog een filosofische vraag aan ten grondslag. Een vraag die vooraf zou moeten gaan aan de politiek-filosofische vraag die Rood beantwoordt. Nog voordat er moet worden gekeken naar hoe de staat kan worden ingericht, hoe de stabiele samenleving kan worden gevormd, moet de ethische vraag worden beantwoord. De vraag die in het kader van de toegepaste ethiek zou moeten worden gesteld is: hebben we als samenleving een verplichting om vluchtelingen uit niet-Europese landen op te vangen? Die vraag, daar gaat Rood aan voorbij. Althans, hij stelt de vraag niet expliciet en geeft er derhalve ook geen dito antwoord op. Uit zijn betoog blijkt echter wel dat hij een antwoord geeft, dat antwoord volgt impliciet en indirect uit zijn verhaal. Het boeiende en krachtige betoog had nog zo veel meer aan kracht kunnen winnen als Rood ook de ethische vraag aan de oppervlakte had gelegd en had beantwoord. Het signaal dat hij geeft had daarmee nog zo veel krachtiger kunnen zijn.

    Nieuwe inzichten, heldere oproep

    Rood gaf zelf al aan dat dit boek juist door een filosoof moest worden geschreven, omdat juist de filosoof openingen ziet waar een ander niet aan denkt. Hij doet at op een fabelachtige wijze, waardoor het boek ook bol stat van interessante en vernieuwende inzichten. Zijn analyse is sterkt en helder. Het maakt duidelijk waar het probleem zit en benadrukt nogmaals hoe groot de uitdaging is die voor ons ligt. Maar het biedt ook de broodnodige handvatten, het biedt hoop op een toekomstbestendige oplossing. Daarin zullen we zelf een rol moeten spelen, we zullen boven het gevecht van de discussie uit moeten stijgen en durven overbruggingen te zoeken.

    De kwestie Pegida

    J. Rood

    ISVW Uitgevers

    verschenen voorjaar 2016

    ISBN 9789491693779

  • Binet speelt het spel tot in de finesses

    Binet speelt het spel tot in de finesses

    Zijn grote doorbraak kende Binet met zijn roman HhhH, waarin hij de moord op Reinhard Heydrich en de gevolgen daarvan voor het Tsjechische verzet op eigen gerijde wijze de wereld van de literatuur in fietst. Dit boek werd van lovende reacties voorzien. Met De zevende functie van taalgooit Binet opnieuw hoge ogen. Deze keer reconstrueert hij niet een moord, maar wordt een dodelijk ongeluk vertaald naar een doelbewuste moord. Slachtoffer: Roland Barthes.

    Het boek wordt gebouwd om de wereld van de structuralisten en post-structuralisten in de tweede helft van de twintigste eeuw. De auteur is voortdurend in de weer met het spel van talige en culturele tekens en achterliggende betekenis, een discipline die luistert naar de naam semiotiek. Binet weet met de titel van zijn boek de lezer gelijk in de wereld van de linguïstiek en semiotiek te trekken. De theorie van de Russische linguïst Roman Jakobson stelt dat er zes verschillende taalfuncties zijn. De zevende functie van taal is een directe verwijzing naar deze visie van Jakobson.

    Een korte kennismaking met het slachtoffer kan geen kwaad. Roland Barthes was een Franse cultureel filosoof, die zich eerst zag als leerling van Sartre, maar later in het verlengde van de linguïst Ferdinand de Saussure zich zou verdiepen in de betekenis van talige en culturele tekens. Het slot van zijn filosofische carrière is een professoraat aan het Collège de France, waar hij semiotiek doceert. Een belangrijke bijdrage levert Barthes met zijn visie op connotatie. Dit is de tegenhanger van denotatie (de letterlijke betekenis van een woord, zoals in het woordenboek staat). De connotatie is een dieper liggende en deels verborgen betekenis. De structuralisten zoeken deze verborgen betekenissen op. Barthes doet dit onder andere op voortreffelijke wijze in zijn Mythologieën.

    Barthes en andere structuralisten en poststructuralisten gaan het spel met de talige en culturele tekens aan. Zij pellen allerlei objecten en teksten af (de Citroën DS, de striptease, de verkiezingsposters). Met het gevaar de lijn tussen feit en fictie in heel dun potlood te trekken. Zoals de structuralisten het spel met de tekens aangaan, zo gaat Binet het spel aan met de filosofische visie van de structuralisten en post-structuralisten. Hij laat gedurende de gehele roman zien dat hij die spel tot in de finesses beheerst. De door Barthes geniaal geanalyseerde DS keert bijvoorbeeld meerdere keren terug in de roman. Binet speelt het spel met feit en fictie mee, hij verzint er lustig op los en verweeft dat met feiten uit de geschiedenis van de Franse filosofie van de tweede helft van de twintigste eeuw.

    Binet speelt het spel zonder enige twijfel op grootse wijze. Maar zoals dat gaat met spelen van een spel, je moet de regels wel kennen om het spel te snappen en deel te kunnen nemen. Dat is bij deze roman niet anders, enige kennis van de structuralistische stroming en de semiotiek maakt de roman een stuk interessanter en begrijpelijker. Daarmee heeft Binet een drempel opgeworpen voor zijn lezerspubliek. Het aantal directe en indirecte verwijzingen naar teksten van Barthes, Foucault en andere denkers is enorm. Het boek van Binet is daarmee een web van intertekstualiteit bij uitstek. Maar met enige kennis van het spel, is dit boek een plezier om te lezen. Het zou me overigens niet verbazen dat de verkoop van de Mythologieën van Barthes in Frankrijk weer flink zijn gestegen, aangezien Binet het verhaal van de structuralisten prachtig opschrijft.

    De zevende functie van taal

    L. Binet

    Meulenhoff, 2015

    ISBN 9789029091138

  • Bibliotheca nihilisma

    Bibliotheca nihilisma

    Iets een naam geven, iemand een naam geven, het is de oervorm van een stempel drukken. Het is deze bijzondere wereld van de eigennaam, waar schrijfster en filosofe Connie Palmen uitvoerig over heeft geschreven. Zij benadert in haar Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates de paradoxale positie van de eigennaam in de menselijke cultuur. Aan de ene kant benadrukt de eigennaam de eigenheid van het individu, maar aan de andere kant is het ervoor verantwoordelijk dat datzelfde individu gemeengoed wordt. Het is dankzij de eigennaam dat iemand onderwerp van gesprek kan zijn, het geeft anderen de mogelijkheid over je te praten. Dit maakt de eigennaam tot een paradoxale verschijning.

    Zo’n eigennaam is niet iets dat voorbestemd is voor alleen maar individuen. We geven immers ook dieren namen, geven auto’s merknamen. We hebben de eigennaam nodig om op een fatsoenlijke manier met elkaar in contact te kunnen komen. Het is een noodzakelijk aspect van communicatie en is daarmee een onmisbaar aspect van de hedendaagse cultuur.

    In deze tekst wil ik stilstaan bij een bijzondere vorm van eigennaam. Een vorm die mijn aandacht op zich heeft weten te vestigen. De eigennaam van een particuliere bibliotheek. Voor een algemene bibliotheek is een eigennaam niet bijzonder, het is de manier om gevonden te worden. Maar een persoonlijke verzameling boeken vraagt niet noodzakelijkerwijs om een naam. De reden dat deze naamgeving mijn interesse heeft, is omdat mijn persoonlijke verzameling boekbanden ondertussen de vorm heeft gekregen dat het ook subtiel schreeuwt om een naam. Althans, dat heb ik mezelf wijsgemaakt, om me maar in dit onderwerp te kunnen verdiepen. In die zoektocht naar naamgeving, heb ik geprobeerd te achterhalen welke handvatten of ongeschreven richtlijnen er zijn om tot een naam van een particuliere bibliotheek te komen. Hoe smelten de eigennaam en de verzameling titels samen tot een gezamenlijke horizon?

    Het eigenaardige van zo’n verzameling boeken, is dat voor de buitenwereld hooguit de titels en de auteurs zichtbaar zijn. De altijd en per definitie vervreemde buitenstaander kan er hooguit een logica in denken te zien, een vermoeden hebben waarom de verzameling in elkaar zit, zoals het in elkaar zit. Maar nooit is met zekerheid te zeggen dat de gedachtegang van de buitenstaander klopt. De particuliere bibliotheek is een unieke verzameling boeken en boekobjecten, opgebouwd op grond van ongeschreven wetten en regels. Een stelsel aan regels die iedere verzamelaar aan zichzelf oplegt, waar hij zichzelf aan onderwerpt. Het gaat schuil achter een in mist gehulde hiërarchie. De particuliere bibliotheek is verdeel en heers in optima forma.

    De handvatten die ik tijdens mijn zoektocht tegenkwam waren divers. Het is mogelijk de naam van de bibliotheek te koppelen aan je eigen naam. Een mooi voorbeeld – overigens met een dito bibliotheek – is Danny Habets. Zijn particuliere boekenverzameling luistert naar de naam Bibliotheca Habetsiana.

    Natuurlijk kan er ook worden gekozen voor een bepaald thema waar een boekenkast omheen is gebouwd, of kan een inspirerende denker of schrijver als uitgangspunt worden genomen voor de naamgeving van het geheel. In de afgelopen periode heb ik een aantal auteurs in het bijzonder die ik waardeer vanwege hun oeuvre, omdat ze mij tot denken weten te zetten en uitdagen van de gebaande paden af te wijken. Maar dit heeft voor mij niet geleid tot bijvoorbeeld een Bibliotheca Mulischiana.

    Om toch tot een naam te komen ben ik gaan kijken naar wat ik het afgelopen lustrum las, wat me inspireerde, wat me tot denken wist te zetten en waar ik al lezend op de vingers werd getikt. Tegelijkertijd heb ik me afgevraagd waarom ik de boeken lees die ik lees. Er is een tsunami aan titels die ik ook zou kunnen lezen, toch kies ik ervoor bepaalde boeken te lezen. Waarom pak ik wel Macht en onmacht van Tineke Beeckman, maar laat ik De liefde voorbij van ???? vooralsnog links liggen? Welk doel heeft mijn lezen, mijn denken en schrijven? Of, nog banaler: heeft mijn lezen, denken en schrijven een doel?

    Ik heb een voorliefde voor literatuur een filosofie. Deze twee ogenschijnlijk gedivergeerde werelden komen op een punt – althans, voor mij – bij elkaar: ze moeten geëngageerd zijn. De schrijver en de filosoof moeten een rol willen en kunnen spelen in de samenleving. Zich vrij voelen zich over die samenleving uit te laten en kritisch te zijn op de samenleving als geheel en het individu in het bijzonder. De filosoof die de ivoren toren van de academische wereld niet verlaat, vergeet waar het denken toe dient. De schrijver die schrijft om het schrijven, vergeet waar literatuur toe dient. De ontmoetingsplaats van literatuur en filosofie in mijn particuliere bibliotheek is de samenleving, het engagement.

    Daarom kijk ik naar de samenleving van nu, de analyses van het verleden en de kansen voor de toekomst. Na lang wikken en wegen, zoeken en schrappen, ben ik tot de conclusie gekomen dat de verzameling boeken die rondom me staat, met een nihilistische bril op naar de wereld kijkt.

    Herkomst van de term

    Afijn, een bibliotheek die in haar naar de wereld van het nihilisme en de nihilistische cultuur in zich draagt. Om een scherp beeld te krijgen bij wat dit nihilisme an sich en het nietzscheaanse nihilisme in het bijzonder inhoudt, vraagt om enige verdieping. De herkomst van de term is van origine Franstalig. Het is een scheldwoord uit de tijd van de Franse Revolutie, dat bedoeld is als benaming van mensen in wiens handelen met totaal niets zag. Een positievere betekenis krijgt de term in de jaren zestig van de negentiende eeuw in Rusland. Voornaamste aanleiding hiertoe vormde de roman Vaders en Zonen van Toergenjev. Hierin wordt de nihilist neergezet als iemand die op voorhand niets voor waar aanneemt en voor geen enkele autoriteit wilde buigen. Het was een erenaam in de laatste decennia van het negentiende-eeuwse Rusland.

    Binnen de filosofie krijgt de term zijn plek aan de hand van het oeuvre van de Duitse filosoof en filoloog Friedrich Nietzsche. Hij omarmde naar eigen zeggen noodzakelijkerwijs het nihilisme als een onontkoombaar fenomeen. Voor Nietzsche zelf is de komst van het nihilisme voor de Europese cultuur niet af te wenden. Zij is het gevolg van de dood van God -Nietzsche laat in De vrolijke wetenschap de dolle mens de dood van God verkondigen en spreekt hierbij de angst uit wat deze dood voor de mens betekent – en het derhalve metafysisch vacuüm dat daardoor ontstaat. Nietzsche bemerkt een onvolledig nihilisme in de cultuur, omdat hij ervan overtuigd is dat het nihilisme overwonnen kan worden en daarom doorleeft moet worden.

    De koppeling

    Dit laatste is voor mij een belangrijk handvat. Nietzsche weet het nihilisme als het ultieme niets te omarmen, maar omarm wél het actieve nihilisme. Deze stroming legt zich niet gelaten neer bij de totale waarde-loosheid van de dingen, maar wil vanuit dat allesomvattende niets opbouwen. Het ziet de mogelijkheden om opnieuw te scheppen. Daar is voor mij de koppeling met het lezen, het denken en het schrijven. De aanvang is leegte, maagdelijk wit papier dat vraagt om aandacht, dat vraagt om geaaid te worden door de pen.  Vanuit die sneeuwwitte vlakte ontstaat iets. Soms heet ‘t poëzie, soms heet ‘t een essay, soms een filosofisch traktaat. Vergeet niet, ook de grote werken uit de (literaire) geschiedenis begonnen ooit op een leeg blad, waarna de schrijver stap voor stap, blad voor blad een geheel construeerde dat uiteindelijk het lezerspubliek wist te bekoren.

    Nu komt de paradox van de eigennaam weer subtiel om de hoek kijken. De verzameling boeken heeft een naam, is daarmee plots uniek en heeft tegelijkertijd betekenis gekregen. Betekenis door de naam die het draagt. Vanaf nu is zij slechts een van de vele particuliere bibliotheken met een naam, valt over haar te spreken, te schrijven. Ik omarm de paradox van naamgeving, erken de bibliotheek haar uniciteit en haar kwetsbaarheid nu ze gemeengoed is.