welkom op niekwind.nl

Binet speelt het spel tot in de finesses

Zijn grote doorbraak kende Binet met zijn roman HhhH, waarin hij de moord op Reinhard Heydrich en de gevolgen daarvan voor het Tsjechische verzet op eigen gerijde wijze de wereld van de literatuur in fietst. Dit boek werd van lovende reacties voorzien. Met De zevende functie van taal gooit Binet opnieuw hoge ogen. Deze keer reconstrueert hij niet een moord, maar wordt een dodelijk ongeluk vertaald naar een doelbewuste moord. Slachtoffer: Roland Barthes.

Het boek wordt gebouwd om de wereld van de structuralisten en post-structuralisten in de tweede helft van de twintigste eeuw. De auteur is voortdurend in de weer met het spel van talige en culturele tekens en achterliggende betekenis, een discipline die luistert naar de naam semiotiek. Binet weet met de titel van zijn boek de lezer gelijk in de wereld van de linguïstiek en semiotiek te trekken. De theorie van de Russische linguïst Roman Jakobson stelt dat er zes verschillende taalfuncties zijn. De zevende functie van taal is een directe verwijzing naar deze visie van Jakobson.

Een korte kennismaking met het slachtoffer kan geen kwaad. Roland Barthes was een Franse cultureel filosoof, die zich eerst zag als leerling van Sartre, maar later in het verlengde van de linguïst Ferdinand de Saussure zich zou verdiepen in de betekenis van talige en culturele tekens. Het slot van zijn filosofische carrière is een professoraat aan het Collège de France, waar hij semiotiek doceert. Een belangrijke bijdrage levert Barthes met zijn visie op connotatie. Dit is de tegenhanger van denotatie (de letterlijke betekenis van een woord, zoals in het woordenboek staat). De connotatie is een dieper liggende en deels verborgen betekenis. De structuralisten zoeken deze verborgen betekenissen op. Barthes doet dit onder andere op voortreffelijke wijze in zijn Mythologieën.

Barthes en andere structuralisten en poststructuralisten gaan het spel met de talige en culturele tekens aan. Zij pellen allerlei objecten en teksten af (de Citroën DS, de striptease, de verkiezingsposters). Met het gevaar de lijn tussen feit en fictie in heel dun potlood te trekken. Zoals de structuralisten het spel met de tekens aangaan, zo gaat Binet het spel aan met de filosofische visie van de structuralisten en post-structuralisten. Hij laat gedurende de gehele roman zien dat hij die spel tot in de finesses beheerst. De door Barthes geniaal geanalyseerde DS keert bijvoorbeeld meerdere keren terug in de roman. Binet speelt het spel met feit en fictie mee, hij verzint er lustig op los en verweeft dat met feiten uit de geschiedenis van de Franse filosofie van de tweede helft van de twintigste eeuw.

Binet speelt het spel zonder enige twijfel op grootse wijze. Maar zoals dat gaat met spelen van een spel, je moet de regels wel kennen om het spel te snappen en deel te kunnen nemen. Dat is bij deze roman niet anders, enige kennis van de structuralistische stroming en de semiotiek maakt de roman een stuk interessanter en begrijpelijker. Daarmee heeft Binet een drempel opgeworpen voor zijn lezerspubliek. Het aantal directe en indirecte verwijzingen naar teksten van Barthes, Foucault en andere denkers is enorm. Het boek van Binet is daarmee een web van intertekstualiteit bij uitstek. Maar met enige kennis van het spel, is dit boek een plezier om te lezen. Het zou me overigens niet verbazen dat de verkoop van de Mythologieën van Barthes in Frankrijk weer flink zijn gestegen, aangezien Binet het verhaal van de structuralisten prachtig opschrijft.

De zevende functie van taal
L. Binet
Meulenhoff, 2015
ISBN 9789029091138

 

Brexit als zwaard van Damocles

Hij is nu langzaamaan meer dan een half jaar onderweg en hij zou het gezicht moeten zijn van Labour-partij. Na zijn verkiezing was er meteen onrust in de partij, schaduwministers traden af, of waren bij het nieuw te vormen schaduwkabinet niet beschikbaar. De bijzondere verkiezing van Corbyn tot leider van Labour en zijn positie in de partij vragen om een korte terugblik en van daaruit een blik naar voren. De centrale vraag: wat heeft het leiderschap van Corbyn tot nu toe met Labour gedaan?

Als we terugkijken naar de partijleiding vanaf de opkomst van Tony Blair, is er heel wat gebeurd. Blair werd met een overweldigende meerderheid gekozen tot partijleider, na het plotselinge overlijden van John Smith. Onder Blair werd een al door Neil Kinnock en John Smith ingezette radicale stap naar het midden van het politieke spectrum gezet. De wind die door de partij waaide was progressief-liberaal met een social-democratisch sausje. Die politieke lijn werd het DNA van de partij. Dat gebeurde onder leiding van Blair, maar kreeg vervolg met het premierschap van Brown en onder de vleugels van diens opvolger Ed Miliband. Allemaal zaten zijn op de lijn van een progressieve partij, met oog voor de zwakkeren in de samenleving, maar ook oog voor het neo-liberale gedachtengoed. Je zou het DNA kunnen vatten binnen de kaders van de beroemde en beruchte derde weg. Die politieke lijn, dat DNA, is met de verkiezing van Jeremy Corbyn als partijleider radicaal gewijzigd. Van centrumlinks naar radicaal-links in een leiderschapsverkiezing. Juist de linkervleugel van de partij, waar zowel Blair als Brown last van hebben gehad tijdens hun premierschap, heeft de macht binnen de partij overgenomen.

Corbyn MP

Als lid van het Lagerhuis was hij altijd een buitenbeentje van zijn eigen partij. Hij was wars van partijdiscipline en stond meer voor de socialistische vleugel, dan voor de sociaal-democratische. Hij vormde een groep parlementsleden samen met Tony Benn, Dennis Skinner en niet te vergeten de oud-burgemeester van Londen, Ken Livingstone. Zij waren nogal eens een doorn in het oog van de Labourleiding onder aanvoering van Blair. Deze radicaal-linkse heren gingen hun eigen goddelijke gang en trokken zich betrekkelijk weinig aan van de lijn die door de partij werd uitgezet.

Wat je in het afgelopen halfjaar in Westminster hebt zien gebeuren, is dat groep parlementsleden die vallen onder de vlag van New Labour het gedrag van Corbyn imiteren. Ook zij verzetten zich nu openlijk tegen de partijlijn die door de nieuwe leider wordt uitgezet. De strategie die Corbyn als parlementslid jarenlang volhield – namelijk: niet meegaan in de partijlijn, omdat je tot een andere vleugel van de partij behoort – wordt nu gekopieerd door zijn ideologische tegenstanders binnen de eigen club. De eerste tekenen daarvan waren al te zien toen Corbyn werd verkozen: op dezelfde avond traden een flink aantal Blairites en Brownites terug van uit het schaduwkabinet. In de loop van de afgelopen maanden zie je dat deze club de focus verlegt, Sadiq Khan werd verkozen tot burgemeester van Londen en Andy Burnham is druk doende de nieuwe burgemeester van Manchester te worden. Het uit deze gang van zaken naar voren komend beeld is dat Corbyn de touwtjes niet, of te weinig, in handen heeft. Hij is teveel de links-radicaal en te weinig leider van de hele Labour-partij. Door zijn eigen verleden heeft hij niet de mogelijkheid af te dwingen dat parlementsleden de door hem gekozen route volgen. Juist dat recalcitrante waar hij voor een deel zijn leiderschap aan te danken heeft, werkt nu tegen hem.

Dit werd buitengewoon goed geïllustreerd door het debat over het bombarderen van doelen van Islamitische Staat in Syrië. De partij als geheel, maar ook het schaduwkabinet was diep verdeeld. Deze verdeeldheid werd breed uitgemeten in de Britse pers. Het werd nog eens extra pijnlijk toen aan het slot van het debat Hillary Benn (schaduwministers van Buitenlandse Zaken) een werkelijk fantastische bijdrage hield in het Lagerhuis, waarin hij pleitte voor het bombarderen van doelen van IS in Syrië. Het ongemakkelijke hupje dat Corbyn maakt als Benn gaat zitten, is tekenend voor hoe de partijleider zich die avond voelde.

De positie van Cameron

Corbyn oogt zwak, lijkt geen sturing te kunnen geven aan een tot op het bot verdeelde partij en weet het momentum tot op heden nog niet te pakken. Zijn politieke evenknie aan regeringszijde heeft het eveneens zwaar. Cameron lijkt zich verslikt te hebben in het debat over of het Verenigd Koninkrijk wel of niet een plek moet hebben binnen de Europese Unie. Zoals het debat over bombardement boven Syrië de Labour-partij verdeelde, zo verdeelt het debat over een mogelijke Brexit de Conservatives. Meer dan ooit blijkt er een tweespalt in de partij te zijn, die vaak als veenbrand leek te woekeren, maar nu tot een volle brand is verworden. Kopstukken uit de partij vallen over elkaar heen, de flamboyante oud-burgemeester van Londen Boris Johnson aan de ene kant, de zakelijke minster van Financiën George Osborne aan de andere. De verwijten gaan hard tegen hard, toch weet Corbyn ook nu het momentum niet te pakken. Cameron heeft nog nooit zo zwak gestaan, maar met deze oppositieleider heeft hij alleen zijn eigen partij te vrezen. Het is tekenend voor Corbyn als politiek leider, hij bezit niet de kunst het momentum te grijpen en al helemaal niet om dat momentum vast te houden. Dit kan voor Labour uitdraaien op een dramatische verkiezingsuitslag bij de verkiezingen in 2021.

Wat heeft Labour nodig?

Zoals ik kort na de verkiezing van Corbyn al schreef (http://niekwind.nl/corbyn-als-leider-twee-extreme-scenarios/), kan zijn leiderschap twee kanten opgaan: een ongekende winst of een marginalisering van de partij. Labour snakt naar een type als Blair, een leider die intern de touwtjes strak in handen heeft en niets aan het toeval overlaat, maar naar buiten toe uitstraalt de rust zelve te zijn. Blair was voor de buitenwereld de ultieme schoonzoon, maar was voor zijn eigen partijleden keihard. Hij wist als geen ander dat beeldvorming van levensbelang was binnen het politieke wereldje. Niet voor niets nam hij met Alistair Campbell een spindoctor in de hand die fulltime werkte aan positieve beeldvorming van de premier. Daardoor ontstond het beeld van een mensenmens, iemand die net zo makkelijk het gesprek aanging met een inwoner van een arme Londense wijk als met de grote baas van de Formule 1, Bernie Ecclestone.

Labour heeft weer zo’n type leider nodig. Dat zegt overigens niets over de politieke lijn die de partij moet insteken en uit moet stralen, maar meer over de structuur van leiderschap die nodig is om de partij niet terug te laten vallen. Het heeft er op dit moment alle schijn van dat de marginalisering werkelijkheid wordt. Het referendum over een Brexit wordt daarom bijzonder interessant. Weet Corbyn nog enigszins de winst naar de partij toe te trekken, of wordt na donderdag nog fanatieker aan zijn stoelpoten gezaagd?

Pegida, symptoom van een fenomeen

De storm is langzaam maar zeker weer gaan liggen, het aantal demonstraties nam zienderogen af. Maar de stormachtige opkomst van Pegida heeft zijn weerslag gehad en heeft de gemoederen lang bezig gehouden. De oproer rondom Pegida moet worden gezien als een symptoom van een veel bredere beweging in de moderne Westerse democratieën. Pegida is een onderdeel van een veel groter fenomeen. Zo ziet ook filosoof en filmmaker Jurriën Rood het. Hij analyseert de opkomst van Pegida en het grotere fenomeen waar die opkomst deel van uitmaakt in zijn boek De kwestie Pegida. Rood gebruikt Pegida als ware het een rode draad door zijn verhaal, een rode draad waaromheen hij een fenomeen analyseert, de problemen benoemt en de openingen voor een oplossing in beeld brengt. Het fenomeen waar de schrijver zich op richt heeft betrekking op de vraagstelling rond integratie en de opvang van vluchtelingen en in het verlengde daarvan de plaats van het islamitische geloof in de westerse samenleving. Hieraan koppelt de schrijver de waarde die wij hechten aan de vrije meningsuiting, maar ook hoe we de regels van de vrije mening vergeten zijn.

Waarom juist een filosoof dit boek moest schrijven? Volgens Rood omdat de filosoof als geen ander de discussie vanuit een andere invalshoek kan belichten en op die manier ook andere minder voordehand liggende oplossingen kan bieden. De centrale uitdaging die volgens Rood voorligt is hoe de samenleving vorm kan worden gegeven, hoe je een basis kunt formuleren voor een stabiele maatschappij.

Wat is de herkomst van de groei van een beweging als Pegida? Het onderliggende gevoel is er een van angst en bezorgdheid. Bezorgdheid over de immigratie, bezorgdheid over de stroom van vluchtelingen en het islamitische geloof. Bezorgdheid over wat deze nieuwe ontwikkelingen voor de westerse democratieën gaat betekenen. Dat deze bezorgdheid zich op deze manier uit, in deze hevigheid, is volgens Rood voor een deel het gevolg van de jarenlange politieke correctheid die het publieke debat domineerde. De algemene stellingname was dat elke vorm van onderscheid maken tussen mensen neerkwam op discriminatie. Dit geluid werd van meet af aan de kop ingedrukt. Met als gevolg dat dit taalgebruik en deze als ongepast getypeerde mening als een veenbrand buiten het publieke debat bleef voortbestaan. Bij-effect van deze politieke correctheid was dat er steeds minder aandacht was voor de mening van de ander. De onwelgevallige meningen werden simpelweg in de doofpot gestopt. Daardoor verwerd het recht op vrije meningsuiting tot een recht de eigen mening te promoten, zonder aandacht te schenken aan de mening van de ander. De schrijver brengt daarom onder de aandacht dat je op basis van het recht van vrije meningsuiting ook een plicht hebt tot meningsontvanging. Het werkt dus twee kanten op. Daarom spreken we ook van een dialoog, niet van een tweezijdige monoloog.

De veenbrand die zich onder de oppervlakte kon ontwikkelen kwam aan het begin van de 21e eeuw tot volle ontwikkeling. Het openlijk twijfelen aan de geslaagdheid van de multiculturele samenleving en in het verlengde daarvan de uitgesproken angst voor islamitische invloeden kwam los met het opiniestuk van politicoloog Paul Scheffer. In het verlengde van Scheffer was het vooral de opkomst van Fortuyn en het fortuynisme die het openlijk onderscheid maken en harde kritiek leveren geaccepteerd maakte bij het brede publiek.

De instabiele samenleving

Gevolg van dit alles is een instabiele samenleving, die fel reageert, waar discussie strijd is geworden en waar angst regeert. Om hier tot een oplossing te komen duikt Rood de schatkamer van de filosofie in. Hij komt terecht bij twee denkers uit de Verlichting, Baruch de Spinoza en John Locke. Op basis van hun theorieën over tolerantie en de staat komt Rood tot een drietal basisprincipes die zouden moeten gelden voor een stabiele en redelijke staat: scheiding van kerk en staat, tolerantie van verschillen en geweldsmonopolie van de staat.

Deze drie basisprincipes moeten volgens de auteur de basis vormen voor een goede, fatsoenlijke en stabiele samenleving. Een maatschappij waar alle ruime is om een echte dialoog te voeren en waar we weer bewust zijn van ons vermogen tot overbrugging. Het is een krachtige oproep tot samenwerking. Een oproep die ik van harte ondersteun.

Op deze door Rood geformuleerde drie-eenheid wil ik de aandacht vestigen. Met de drie basisprincipe schetst Rood een nieuw sociaal contract voor de vormgeving van de staat. Aan het slot van zijn boek heeft de schrijver ook een voorbeeld voor een dun sociaal contract opgenomen. Hij grijpt hiermee terug naar een principe waar de Engelse filosoof Thomas Hobbes de geestelijk vader van is.

Om een goed beeld te krijgen van wat het sociale contract precies was, is het goed even terug te gaan naar deze periode in de geschiedenis van de filosofie. Het beginpunt van Hobbes’ politieke denken is de stelling dat Aristoteles fout zat, toen hij beweerde dat de mens van nature een sociaal wezen is. De mens is dat volgens Hobbes geenszins, het is veel meer individu. Die mens leeft in onzekerheid. Vanuit deze onzekerheid komt een vorm van wantrouwen richting de ander. Op basis van zo’n gevoel van wantrouwen kan nooit een natuurlijk goedgeordende samenleving worden gecreëerd. Hobbes stelt dat er een soeverein aan te pas moet komen om orde en vrede te kunnen scheppen. Om tot dat punt te komen moet de mens rechten overdragen aan de soeverein. Dát is het sociaal contract bij Hobbes.

Rood schat de huidige instabiele situatie het gevolg is van een wantrouwen richting de ander, een wantrouwen dat zich uit in de wijze van debatteren. Daarom is juist de erkenning van de drie basisprincipes een noodzakelijke stap. Hij ziet dit overigens niet louter als het opleggen van bepaalde afspraken, het is meer:

Aanvaarding van dit contract houdt niet alleen een conformeren aan de grondregels van de samenleving in, maar evengoed het profiteren van alles positieve gevolgen ervan. (p.66)

Met dit sociale contract komen we volgens mij tot de kern van Roods boek. Hij vliegt de oplossing aan vanuit een politiek-filosofisch kader. Hij geeft antwoord op de vraag hoe we de samenleving op een goede wijze vorm kunnen geven, zodat er daadwerkelijk sprake is van een sámen-leving. De zoektocht van de schrijver richt zich dus op het vormgeven van de staat. Waar het om migratie en integratie gaat, waar het om opvang van vluchtelingen gaat, is er een rol weggelegd voor de politieke filosofie. De keuze van Rood om te zoeken naar een politiek-filosofische oplossing volgt logischerwijs uit de geschetste probleemvraag. Het is een passend vervolg op zijn analyse en uiteenzetting.

Een vraag te ver

Toch slaat Rood volgens mij een stap over. Want er ligt hier mijns inziens nog een filosofische vraag aan ten grondslag. Een vraag die vooraf zou moeten gaan aan de politiek-filosofische vraag die Rood beantwoordt. Nog voordat er moet worden gekeken naar hoe de staat kan worden ingericht, hoe de stabiele samenleving kan worden gevormd, moet de ethische vraag worden beantwoord. De vraag die in het kader van de toegepaste ethiek zou moeten worden gesteld is: hebben we als samenleving een verplichting om vluchtelingen uit niet-Europese landen op te vangen? Die vraag, daar gaat Rood aan voorbij. Althans, hij stelt de vraag niet expliciet en geeft er derhalve ook geen dito antwoord op. Uit zijn betoog blijkt echter wel dat hij een antwoord geeft, dat antwoord volgt impliciet en indirect uit zijn verhaal. Het boeiende en krachtige betoog had nog zo veel meer aan kracht kunnen winnen als Rood ook de ethische vraag aan de oppervlakte had gelegd en had beantwoord. Het signaal dat hij geeft had daarmee nog zo veel krachtiger kunnen zijn.

Nieuwe inzichten, heldere oproep

Rood gaf zelf al aan dat dit boek juist door een filosoof moest worden geschreven, omdat juist de filosoof openingen ziet waar een ander niet aan denkt. Hij doet at op een fabelachtige wijze, waardoor het boek ook bol stat van interessante en vernieuwende inzichten. Zijn analyse is sterkt en helder. Het maakt duidelijk waar het probleem zit en benadrukt nogmaals hoe groot de uitdaging is die voor ons ligt. Maar het biedt ook de broodnodige handvatten, het biedt hoop op een toekomstbestendige oplossing. Daarin zullen we zelf een rol moeten spelen, we zullen boven het gevecht van de discussie uit moeten stijgen en durven overbruggingen te zoeken.

 

De kwestie Pegida
J. Rood
ISVW Uitgevers
verschenen voorjaar 2016
ISBN 9789491693779

Blijf thuis. Of hoe Mark Rutte nooit een staatsman wordt

Het was de persconferentie nadat Europese regeringsleiders met Turkije een overeenkomst hebben bereikt over hoe om te gaan met de vluchtelingencrisis. Een akkoord dat op zichzelf al van verschillende kanten kritiek kreeg (lees bijvoorbeeld: De langzame dood van het Vluchtelingenverdrag). Het was onze minister-president die tegen de vluchtelingen zei: blijf thuis. Wat wil Rutte met een ongekend boute uitspraak als deze bereiken?

De uitdaging voor Europa is bekend: door de oorlog in Syrië en de verschrikkingen van het regime in Eritrea is er een grote stroom vluchtelingen op gang gekomen. Veel van deze – voor Syrische – vluchtelingen worden opgevangen in buurlanden, een deel komt uiteindelijk in Europa. De tocht die ze maken is of met de benenwagen over het land, waar ze Europa bereiken op de Balkan, of via gammele bootjes over de Middelandse Zee richting Griekenland en Italië. Om goede opvang voor vluchtelingen te realiseren zijn de Europese leiders al tijden in gesprek, onder andere met Turkije. Het bereikte akkoord van afgelopen week komt ongeveer op het volgende neer: een vluchteling die zich aanmeldt als asielzoeker wordt teruggestuurd naar Turkije, terwijl op datzelfde moment in Turkije uit een van de opvangkampen een vluchteling toegang krijgt tot Europa. Een soort van landjeruil, maar dan met mensen die de meest verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt en oorlogsgebied ontvluchten.

Rutte zegt tegen die vluchtelingen: blijf thuis. Vlucht dus vooral niet naar de puist van welvaart die we Europa noemen, maar blijf thuis. Blijf in Allepo, blijf in Hommes. U weet wel, die volledig verwoeste steden waar het werkelijk een wonder is dat er nog stenen op elkaar staan. Onze premier roept vluchtelingen op, vooral thuis te blijven. Hoe meer je daar over nadenkt, hoe wreder het beeld wordt. Mensen adviseren thuis te blijven, terwijl ze geen thuis meer hebben. Mensen adviseren in ruïnes te blijven wonen, terwijl het enige wat zij zoeken vrede is.

De vraag die dan opkomt is: wat wil Mark Rutte met een opmerking als deze bereiken? Hij bezigt het taalgebruik van de rechterflank van de Nederlandse politiek. Hij vist met een opmerking als deze in de vijver van Wilders. Met een opmerking als ‘blijft thuis’ laat Rutte de partijleider van de VVD spreken, niet de premier. Hij laat andermaal zien, vooral bezig te zijn met de eerstkomende verkiezingen. Hij laat meer dan ooit zien boven alles politicus te zijn. Rutte laat klip en klaar blijken geen staatsman te zijn, maar een politicus die alleen maar bezig is met de eerstkomende verkiezingen. Holle retoriek als ‘blijft thuis’ siert niemand, maar zeker een premier van een beschaafd en welvarend land als de onze niet.

Kritiek op het bijkans heilige

Het is in Nederland een zich eens in de vier jaar herhalend fenomeen en eind dit jaar is het weer raak in de Verenigde Staten: verkiezingen. Het systeem dat simpel gezegd inhoudt dat iemand eens in de zoveel jaar een vakje inkleurt.We kennen het systeem in de westerse democratieën al een flinke tijd. Een systeem dat zelden tot nooit ter discussie wordt gesteld. David Van Reybrouck durft het aan in zijn essay Tegen verkiezingen.

Het is een essay over de basis van de politieke filosofie: de zoektocht naar een balans tussen efficiënte en legitieme besluitvorming. De Vlaamse schrijver stelt het gehele systeem ter discussie. Dat doet niet niet uit de losse pols, hij stelt eerst de ziekte van het systeem vast en brengt alternatieven in beeld. Het is een ware ontdekkingstocht.

Het Democratisch Vermoeidheidssyndroom
Het essay van Van Reybrouck is opgebouwd in vier delen: symptomen, diagnoses, pathogenese en remedies. Opgebouwd op basis van een medisch dossier. De ziekte die wordt onderzocht luistert naar de naam Democratisch Vermoeidheidssyndroom (DVS), een ziekte die volgens Van Reybrouck heerst bij Westerse democratieën. Dit wordt onder andere uitgedrukt in het aantal kiezers dat de stembusgang links laat liggen.

Electoraal absenteïsme is de belangrijkste politieke stroming in het Westen aan het worden, maar daar gaat het nooit over. (p.14)

De massale afwezigheid van de kiezers bij een stembusgang is volgens de schrijver een van de symptomen van het DVS. Van Reybrouck ziet dat de politieke daadkracht afkalft. Dit is volgens hem het gevolg van de steeds kortere periodes van regeren door instabielere kabinetten, de steeds langer durende kabinetsformaties en de steeds verder dichtgetimmerde regeerakkoorden. Dit geheel maakt dat het politieke systeem uit balans is geraakt. Het is een systeem dat piept en kraakt. Waardoor dat piepen en kraken wordt veroorzaakt, is de tweede stap van het medisch dossier.

De diagnoses
Voor het Democratisch Vermoeidheidssyndroom ziet Van Reybrouck een viertal mogelijke diagnoses, gericht op de democratie en hoe zij is vormgegeven. Hij wijst vier mogelijke schuldigen aan: de politici, de democratie, de representatieve democratie en tot slot de electoraal-representatieve democratie. De eerste van deze vier zou de weg van het populisme zijn, de tweede werkt de technocratie in de hand en de derde vraagt om een directe democratie, het buitenparlementaire parlement.

De drie remedies die ik tot dusver heb besproken lijken mij stuk voor stuk gevaarlijk: populisme is gevaarlijk voor de minderheid, technocratie is gevaarlijk voor de meerderheid en antiparlementarisme is gevaarlijk voor de vrijheid. (p. 38)

Dat maakt volgens Van Reybrouck dat de werkelijke schuld van het DVS ligt bij de electoraal-representatieve democratie. Kortom, het zijn de verkiezingen. De auteur stelt vast dat het probleem van het DVS ligt aan het systeem van de verkiezingen. We zijn in zekere zin blind geworden voor de gevaren van het systeem, de gevaren van de verkiezingen voor de democratie.

Hier ligt de grondoorzaak van het Democratische Vermoeidheidssyndroom: we zijn allemaal electorale fundamentalisten geworden. (p.41)

De schrijver ontkent niet dat verkiezingen ons veel hebben gebracht, hij onderschrijft dat juist. Maar vier factoren hebben het fungeren van de verkiezingen bemoeilijkt. Deze vier factoren komen gaandeweg tot stand. Dat begint aan het einde van de negentiende eeuw en eindigt in het heden. Dat tijden veranderen is bekend, de vraag hoe de democratie het beste fungeert is ook afhankelijk van de historische periode. De vier factoren die in de loop van de tijd zijn verandert zijn: het algemene kiesrecht, oprichting van politieke partijen, commerciële media en de mogelijke doodsteek: de sociale media. De verkiezingen en het systeem van representatie zijn gebaseerd op een samenleving die verticaal is, terwijl de vier ontwikkelingen er langzaam maar zeker voor hebben gezorgd dat de huidige samenleving veelal horizontaal is. We hebben de democratie in de loop van de tijd in het keurslijf van de verkiezingen gedrukt. Een systeem dat volgens Van Reybrouck niet meer de meest wenselijke balans heeft tussen efficiëntie en legitimiteit. Dit keurslijf van verkiezingen dreigt de democratie fataal te worden.

Hoe zijn we er gekomen?
De kern van het probleem ligt in de electoraal-representatieve democratie. Van Reybrouck schetst hoe in de loop van de geschiedenis aan het principe van de democratie vorm werd gegeven. Hij begint daarmee in het klassieke Griekenland. Om precies te zijn, het oude Athene. Daar kende men een democratie van directe participatie. De totstandkoming van die participatie kwam niet aan de hand van verkiezingen tot stand, maar door middel van loting. Om de participatie zo groot mogelijk te krijgen, koos men ervoor om los van de loting ook rotatie toe te passen. Om dit te vergelijken met het systeem van verkiezingen, citeert Van Reybrouck de klassieke denker Aristoteles:

Vrijheid is niet: steeds zelf de macht hebben. Vrijheid is evenmin: je niets hoeven aan te trekken van de macht. Vrijheid is nog minder: je slaafs neerleggen bij de macht. Vrijheid is het evenwicht tussen autonomie en loyaliteit, tussen regeren en geregeerd worden. (p. 66)

Het principe van loting komt aan het einde van de middeleeuwen terug in Italiaanse stadstaten zoals Venetië. Dit alles in een systeem waar de grote massa geen macht had en er nog sprake was van een standenmaatschappij.
Die standenmaatschappij kent haar einde met de Franse Revolutie. Op dat moment viel het stelsel van macht dat binnen de standenmaatschappij gold uiteen. Met het principe ‘de koning is dood, lang leven de koning’ bracht het wegvallen van het ene machtssysteem een ander machtssysteem. De leiders van de Franse Revolutie hebben dit nieuwe systeem ingevuld, waarbij duidelijk werd dat de massa niet daadwerkelijk aan de macht moest komen. Om dit te voorkomen, werden er verkiezingen in het leven geroepen. Dit maakt dat juist de verkiezingen de aristocratie in stand wist te houden. Een nieuwe elite nam de macht over van de oude elite, door middel van de verkiezingen. De elite bepaald op deze manier zelf op wie kan worden gestemd.

De Franse Revolutie, (…), verjoeg geen aristocratie om haar te vervangen door democratie, maar verjoeg een erfelijke aristocratie om haar te vervangen door een gekozen aristocratie. (p. 88)

Hoe nu verder?
Van Reybrouck toont lef door een bijkans heilig systeem van de verkiezingen zo te bekritiseren, of althans: in een zo duidelijk historisch perspectief te plaatsen. De remedie voor het DVS is volgens hem een teruggang naar de klassieke tijd: het principe van loting. Hij laat in zijn essay een reeks aan eigentijdse al gedane experimenten met loting de revue passeren. Experimenten die vragen om durf, om out of the box denken. Dit soort experimenten vraagt om vertrouwen in elkaar, in plaats van het wantrouwen dat de aanvang was van het systeem van verkiezingen.

Van Reybrouck heeft een uitdagend essay geschreven, dat op bepaalde momenten een echte eye-opener is. Dit essay is verplichte kost voor een ieder die zich op wat voor manier dan ook maar betrokken zijn bij het politieke domein. Het is een ontdekkingstocht, maar met de niet mis te verstande titel is het al duidelijk welk oordeel in het essay zal worden geveld. Het is derhalve een ontdekkingstocht met een zekere mate van voorspelbaarheid. Laat nou net die voorspelbaarheid bij loting geen rol spelen.

Tegen verkiezingen
D. V. Reybrouck
De bezige bij
9789023474593

Postmodernisme

Radicale of ridicule Verlichting?

Het is een van de vijf titels die kans maakt op de Socrates Wisselbeker 2015. Ze is de enige vrouw op de shortlist en met Macht en onmacht schreef ze een indrukwekkend en oorspronkelijk boek over de postmoderne filosofie en haar gevaren. Het boek pakt de lezer meteen met de ondertitel Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting. Op de achterflap neemt de wil tot lezen alleen maar toe door woorden als ‘(…)verkent Tinneke Beeckman de oorzaken van de maatschappelijke vertwijfeling’. Het werk wil de aandacht vestigen op de – het lijkt soms wel vergeten – idealen van de Verlichting van vrijheid en waarheidsvinding. Beeckman laat zien hoe het postmoderne denken deze idealen uit onze gedachten heeft weten te verdrijven en tot welke consequenties dat leidt. Wat maakt dat de postmoderne filosofie een zo vertwijfelde samenleving heeft opgeleverd en wat zijn daar de risico’s van?

De postmoderne filosofie, wat is het?
Om de herkomst van die vertwijfelde samenleving in beeld te brengen kiest Beeckman ervoor allereerst het postmoderne denken an sich in beeld te brengen en daarna te kijken naar de herkomst van dat denken. Opvallend is dat de postmoderne filosofie toch haar kinderkamer kent in de Franstalige wijsgebeerte met denkers als Derrida en Foucault en dat Beeckman de herkomst van dat denken vindt in de Duitstalige denkwereld van voornamelijk Nietzsche en Heidegger. Wat is nou het uitgangspunt van die postmoderne filosofie? Je zou het in een woord kunnen vatten: wantrouwen.

Het postmoderne denken – althans, de rode lijn, want van een gezamenlijke visie was geen sprake – ziet de mens niet langer als onderdeel van de filosofie. Ze richt zich vooral op de taal. Die gerichtheid op de taal maakt dat voor de postmoderne denker de woorden en de zinnen kennis brengen, niet de mens. Maar deze kennis is allerminst neutraal, ze is gekleurd door machtsstructuren en hierarchie. De omslag die denkers als Derrida en Foucault voor ogen hebben is van een verticale kennishierarchie naar een horizontale. In de Encyclopedia of philosophy valt te lezen dat het postmodernisme wars is van hierarchie, continutiet, vooruitgang.

In zekere zin is de postmoderne filosofie een revolutionaire vorm van het verlichtingsdenken van Kant. Waar Kant en zijn metgezellen uit waren op het niet langer denken in vormen van hiërarchie en het volgen van het godsbegrip, vallen de postmoderne denkers de verlichtingsidealen van rede, rationaliteit en het geloof in de mens als autonoom wezen aan.

‘Postmoderne denkers bekritiseren twee belangrijke ideeën die de moderne denkers van de zeventiende tot de negentiende eeuw aannemen, namelijk dat de mens de maat is voor politieke en morele waarden, en dat de rede de mens kan emanciperen.’(p. 15)

De herkomst, Nietzsche en Heidegger
Beeckman schrijft een deel van de herkomst van dat postmoderne denken toe aan de negentiende-eeuwse Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. De man die onze moraal koppelde aan een slavenmentaliteit en die God dood verklaarde in zijn De vrolijke wetenschap. Waar het postmoderne denken en Nietzsche elkaar ontmoeten is op het punt van de objectiviteit. Nietzsche stelt dat zo’n begrip niets anders is dan het tegen elkaar afwegen van de voors en tegens. Als kritisch denker neem je steeds meer tot je, waardoor je een bepaald perspectief creëert, vanuit dit perspectief maak je een afweging over hoe objectief bepaalde denk- en zienswijzen zijn. Hierin is voor absolute waarheden simpelweg geen ruimte.

Nietzsche uit hevige kritiek op het Verlichtingsdenken. Hij stelt dat het humanisme het vrije denken niet werkelijk heeft omarmd. Want hoewel de humanisten het dogma van god hebben bestreden, omarmen ze eenzelfde soort systeem: het geloof in idealen. Door te geloven en vast te houden aan de rede en de ratio blokkeren de humanisten het echt vrije denken.

Naast Nietzsche ziet Beeckman ideeën van Heidegger als gedeeltelijke oorsprong van de postmoderne filosofie. Heidegger kent een heel andere methode dan Nietzsche, een methode die tot dan toe ongebruikelijk was. Heidegger is in alles – althans de vroege Heidegger van Sein und Zeit– een taalfilosoof. Een denker die de taal en haar herkomst gebruikt om tot diepere inzichten te komen. Hij gebruikt hiervoor de etymologische waarde van de taal: achterhalen wat de ware bron van een hedendaags woord is, om tot de kern van de taal toe te kunnen treden.

De etymologische aanpak strookt met de fundamentele vooronderstelling van Heidegger de taal bevat, in haar oorspronkelijke lagen, een diepzinnige, existentiële getuigenis over de lotsbestemming van de mens.’(P. 81)

Zowel bij Nietzsche als bij Heidegger is de invloed op het postmodernisme vooral op basis van de door hen gehanteerde methode. Nietzsches methode van de twijfel en het wantrouwen en Heideggers taalfilosofische methode van de etymologische waarde van de taal in combinatie met Heideggers visie op de techniek.

De gevolgen
Het gedachtengoed van het postmodernisme zoals hierboven uiteengezet heeft directe gevolgen voor het onderscheid tussen waarheid en onwaarheid. Een grens die binnen het postmodernisme mistig wordt. Met het uitgangspunt van hiërarchie en machtsstructuren valt de basis onder echt wetenschappelijke kennis weg. Die kan niet bestaan als ieder argument wordt ingekaderd in het principe van macht en hiërarchie. Juist door deze houding wordt het kritisch denken in de kiem gesmoord en wordt complotdenkers een rode loper uitgelegd. Want in een wereld van horizontale kennishierarchie heft wetenschappelijke kennis geen enkele meerwaarde meer ten opzichte van andere kennis en heeft het wantrouwen gezegevierd over het vertrouwen.

Om het beeldend te verwoorden: het postmodernisme heeft een goed geordend bos waar feit en fictie van elkaar konden worden gescheiden, veranderd in een warrig oerwoud. De verhoudingen zijn zoek.

‘Het probleem is echter dat er geen norm, geen maatstaf meer is om waarheid van onwetendheid te onderscheiden.’ (p. 171)

Macht en onmacht is een boek dat nieuwe inzichten geeft, de geest aanscherpt en de mogelijke gevolgen van een onkritische houding laat zien. Beeckman laat zien hoe Rorty de mist in gaat en waarom we allemaal Truth and Truthfulness van de Britse filosoof Bernard Williams moeten lezen om tegengas te geven aan het postmoderne denken. Ze bepleit discussies anders te gaan voeren, niet bij terreur constant naar sociaal-economische vaardigheden te wijzen, maar de lef te hebben daar buiten te stappen. Dit boek daagt de lezer uit buiten de veilige kaders te denken, de grenzen van het denken te verleggen. Dit alles gekoppeld aan een actueel thema, de aanval op de vrijheid van meningsuiting in Europa door fundamentalisten.

Macht en onmacht
T. Beeckman
Uitgeverij De bezige bij
9789085426097


Een klein beetje de Hollandse Kennedy

Met de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 dachten de socialisten een mooie politieke slag te kunnen slaan. Dat bleek niet geheel onterecht, maar er was nog een politieke beweging voor wie dit geen windeieren legde: de katholieke kamervereniging. Met Wiel Nolens als grote man werden de katholieken de grootste fractie in de Tweede Kamer. Maar Nolens was priester, de Nederlandse politiek was nog niet rijp voor een priester als minister-president. Dat maakte dat iemand anders de Hollandse Kennedy avant la lettre werd: jonkheer Charles Ruijs de Beerenbrouck (1873-1936). Een Limburgse jurist, die met het verschijnen van Toen de katholieken Nederland veroverden een eigen biografie heeft gekregen. Auteur van het werk is Frans Verhagen. De schrijver heeft zichzelf ten doel gesteld een portret te schetsen van de man in zijn publieke en politieke functie. Over de periode van het interbellum is veel gepubliceerd en er is ook veel werk verschenen over de Nederlandse politiek in die periode. In al deze werken speelt Ruijs een rol, maar een biografie ontbrak nog.

 Met de paplepel ingegoten

Het politieke leven was de familie Ruijs niet onbekend. Vader Gustav was jarenlang lid van de Tweede Kamer en werd in 1893 gouverneur van Limburg. Met deze benoeming kwam het conservatieve katholicisme aan de macht in de provincie. Zoon Charles groeide op in Maastricht en koos er op zijn negentiende voor rechten te gaan studeren in Leiden. Een universiteit die destijds deels werd gekenmerkt door een antipapistische houding, een wat ongewone studieplek voor de katholieke Ruijs. Tijdens zijn studietijd zou al blijken – en later zou dit niet anders zijn – dat Charles Ruijs de Beerenbrouck geen begenadigd spreker was.

Nadat hij afgestuurd was keerde hij terug naar Maastricht, waar hij enkele juridische werkzaamheden verrichtte. Hij maakte zich zorgen over de leefomstandigheden van de arbeidersklasse en was een trouw kerkganger. Eenmaal gekozen in de gemeenteraad gaf hij zijn zorgen handen en voeten. Hij hield zich bezig met het minimumloon en met het maximale aantal werkuren voor ambtenaren. Ook op andere sociale onderdelen deed Ruijs van zich spreken.

 Ruijs in Den Haag

Ruijs wilde naar de Tweede Kamer, maar om daar te komen moest hij een kiesdistrict vinden waarvoor hij een zetel in zou kunnen nemen. Maastricht lag voor de hand, maar werd het niet. Uiteindelijk was het Gulpen waar Ruijs de strijd aanging en won. In 1905 werd hij lid van de Tweede Kamer en ging deel uitmaken van de katholieke kiesvereniging. Als kamerlid stond hij bekend als een politicus die gezaghebbend zweeg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij door premier Cort van der Linden gevraagd regeringscommissaris voor de vluchtelingen te worden. Hij volbracht deze taak vol verve en bezocht opvanglocaties voor – voornamelijk Belgische – vluchtelingen. Hij bleef dit doen tot hij in 1918 zijn vader opvolgde als gouverneur van Limburg.

Nadat in 1918 de Eerste Wereldoorlog was beëindigd, werden in Nederland nieuwe verkiezingen gehouden. Verkiezingen die geen beperkt kiesrecht kenden en voor het eerst uitgingen van evenredige vertegenwoordiging. Op 3 juli 1918 werden de katholieken de grootste partij in de Tweede Kamer en pakte Nolens de handschoen op om een kabinet te formeren. Na een lange formatie was het tot verbazing van velen Ruijs de Beerenbrouck die als minister-president naar voren werd geschoven. Verhagen geeft zowel het proces van de formatie als de eerste periode van Ruijs als premier op indrukwekkende wijze weer. Gedetailleerd, maar nooit te gedetailleerd. Ruijs had het niet makkelijk als beginnend premier: zowel de Duitse keizer die onaangekondigd in Nederland onderdak zocht als de revolutiepoging van Pieter Jelles Troelstra zorgden voor onrust. Ruijs wist ook in deze roerige tijd het kabinet bijeen te houden en vooral in 1919 veel wetgeving door de Kamer te loodsen.

Na het eerste kabinet van Ruijs, was er in de confessionele politiek een nieuwe kaper op de kust. Een kaper die de volle steun genoot van koningin Wilhelmina: Hendrik Colijn. Het eerste kabinet van Colijn zat relatief kort, met tussenkomst van het kabinet-De Geer, kwam er een tweede kabinet van Ruijs. Een kabinet waar Colijn een ministerpost op zich nam na het vertrek van Minister van Financiën De Geer. In deze gehele periode liet Ruijs zien dat het voor een goed politicus niet nodig is een begenadigd spreker te zijn. Hij was sluw als het moest, doordacht in zijn handelingen en wist goed wat hij aan zijn mensen had. Nadien zou Ruijs actief blijven in de Tweede Kamer, als kamervoorzitter, een functie waarin hij direct adviseur van de koningin zou zijn. Van deze adviseursfunctie maakte hij dankbaar gebruik, hier kwam meer dan ooit naar voren dat Ruijs een echte machtspoliticus was.

 Een biografie?

Verhagen geeft een gedegen beeld van de verhouding in de katholieke fractie van de Nederlandse politiek. Hij heeft in deze aan Ruijs de perfecte rode draad, want de opkomst van de katholieke macht in politiek Den Haag loopt parallel met de opkomst van de Limburgse politicus. Of Verhagen daarmee een echt diepgravende biografie van Charles Ruijs de Beerenbrouck heeft geschreven? Nee. Want zoals Verhagen zelf ook al stelde, zijn doel was een schets te maken van Ruijs als publiek en politiek figuur. Daarin is hij geslaagd. Het boek biedt een mooie inkijk in het wel een wee van de Haagse politiek gedurende het interbellum. Verhagen laat in ieder geval duidelijk zien dat het door sommigen geschetste beeld van Ruijs als saai en makkelijk politicus onjuist is. De Beerenbrouck heeft in een roerige periode de boel bij elkaar gehouden en doortastend gehandeld. Hij was zonder meer een raspoliticus die het spel snapte en dat naar zijn hand wist te zetten, ondanks verschillende tegenkrachten.

 

Toen de katholieken Nederland veroverden. Charles Ruijs de Beerenbrouck 1973-1936
Frans Verhagen
Uitgeverij Boom
ISBN 9789089536570
Verschenen in oktober 2015

Vertroosting van de literatuur

Een verzameling van 52 columns die elk afzonderlijk verschenen in NRC Handelsblad. Columns van de hand van Pieter Steinz, de man die samen met zijn dochter Jet een ‘ gids voor de wereldliteratuur’ schreef onder de titel Steinz (uitgegeven bij Nieuw Amsterdam, maart 2015).

Steinz kreeg in de zomer van 2013 te horen dat hij ongeneeslijk ziek was, de spierziekte ALS werd bij hem gediagnosticeerd. Hoe hij het verloop van deze ziekte heeft ervaren en welke – bekende en minder bekende – literaire werken in die ervaring van de ziekte pasten was het onderwerp van zijn column. Hij haalde heel verschillende verhalen, romans en gedichten aan gedurende zijn ziekteverloop. Het nu onder de titel Lezen met ALS verschenen boek is de verzameling wekelijk verschenen columns die Steinz publiceerde over zijn ziekteverloop.

Steinz kan ik een ondenkbaar grote vijver vissen van de internationale literatuur. En hij doet dat dan ook. Maar hij bespreekt niet alleen grote bekende werken van grote auteurs, maar ook minder grote werken van minder grote auteurs. Steins kent ook geen kadrering qua tijd, hij bespreekt werken uit de klassieke tijd, publicaties uit de eenentwintigste eeuw en alles wat daar tussen valt. De toverberg van Thomas Mann passeert evengoed de revue als Asterix en Obelix. Het maakt Lezen met ALS een bespreking van een gemêleerd gezelschap van literaire werken.

Het moet gezegd, in deze verzameling wordt met evenveel gemak geschreven over het oeuvre van Jacques Brel als over de Historiën van Herodotos. De toegankelijke manier waarop Steinz met deze werken omgaat, maakt dat hij de lezer op een heldere manier wegwijs weet te maken in het proces dat hij doorstaat. Hij bespreekt de werken, vat de kern samen, maar weet ze ook helder te koppelen aan zijn ziekteverloop.

Iedereen die deze verzameling van Steinz zal hebben gelezen heeft een of twee favoriete columns, die net iets boven de andere columns uitsteken. Voor mij was dat de column met de titel ‘Afscheid van het honderddingenleven’. Hierin worden twee werken besproken: Oblomov van de Russische schrijver Gontsjarov en De uitvreter van Nescio. De schrijver koppelt deze twee boeken aan het moment dat hij beseft dat niet alles meer kan, dat een dag niet meer alleen maar kan bestaan uit lezen, schrijven, werken. De acceptatie niet meer alles te kunnen en keuzes te moeten maken beschrijft hij aan de hand van de luie Oblomov en Japi uit de novelle van Nescio. Om met Steinz zelf te spreken: ‘ Keuzes maken, daar draait het om. Ga ik vandaag een stukje schrijven of (onderstreping door nw) een boek lezen?’.

Lezen met ALS is een fantastisch werk dat net als De grote Steinz goed is voor je literaire bewustzijn, maar slecht voor het saldo van je bankrekening. Want hoe je het ook went of keert, door zijn manier van schrijven over boeken word je bijna gedwongen naar de lokale boekwinkel te rennen en weer een boek te bestellen. Steinz maakt de lezer op een ongelofelijke krachtige manier bekend met weer een hele verzameling literaire werken. Als je mee wilt worden gesleept in adembenemende en ontroerende columns, lees Lezen met ALS!

 

 

 

Corbyn als leider

twee extreme scenario’s

Het is een overwinning die vijf maand geleden onmogelijk leek en die zonder twijfel als historisch de geschiedenisboeken in zal gaan. Jeremy Corbyn won gister de leiderschapsverkiezing van de Britse Labour Party in de eerste ronde met bijna 60 procent van de stemmen. Een van oudsher als buitenbeetje gekenmerkte man wint van drie gematigdere kandidaten, Burnham, Cooper en Kendall. De winst van Corbyn betekent hoe dan ook een koerswijziging van de sociaal-democraten in het Britse Lagerhuis. Een koers die nutsbedrijven weer opnieuw in handen wil brengen van de staat, een koers die af wil van collegegeld. Een koers die bepaald is door een man die in De Groene Amsterdammer van 27 augustus als volgt werd getypeerd: ‘ (…) Corbyn, die nooit van socialist naar sociaal-democraat is geëvolueerd.’ Een ding is zeker, Corbyn heeft het momentum te pakken. Maar wat betekent de winst van Corbyn voor de politieke macht van Labour?

Corbyn neemt met zijn visie afstand van het neo-liberale geluid dat zo kenmerkend was voor het New Labour van Blair en Brown. Dat geluid zal de komende jaren niet meer gehoord worden vanuit de front bench van Labour. Sterker nog, in verschillende Britse media is het blairism al dood verklaard. Het nieuwe geluid wordt gesteund door procentueel meer leden dan Blair achter zich wist te scharen bij zijn leiderschapsverkiezing in 1994. De leden van Labour zien heil in de koers van Corbyn. Maar weet deze koers ook de verloren kiezers weer te binden aan het sociaal-democratische gedachtengoed? Als het Corbyn lukt de kiezer net zo aan zich te binden als die meer dan tweehonderdduizend leden, dan worden de verkiezingen van 2020 interessant. Met het streven naar een nieuwe vorm van politiek, waarbij ook de leden van Labour meer invloed krijgen, waait er et Corbyn in ieder geval een andere wind: Democratisering en afzetten tegen het establishment. Corbyn kan zich op meerdere fronten hard opstellen richting Cameron: de opvang van vluchtelingen, de bombardementen op Syrië en Irak en de bezuinigingen op de zorg en de daarmee samenhangende ontmanteling van de National Health Service. Corbyn en Cameron zullen in ieder geval regelmatig botsen als ze tegenover elkaar staan aan de despatch boxes. Het is niet ondenkbaar dat door de bezuinigingsdrang van Cameron een bepaald gevoel van onbehagen zich meester gaat maken van de Britse kiezers. Als dat het geval is, dan is Corbyn de man om de kiezer te overtuigen dat een nieuwe koers Groot-Brittannië naar een betere toekomst kan leiden. Corbyn zou dan zomaar uitzicht kunnen krijgen op een premierschap in 2020.

Maar het is niet ondenkbaar dat er onder de kiezers net zo’n gevoel heerst als onder een flink aantal parlementsleden van de Labour Party. Zij zien het absoluut niet zitten in deze nieuwe koers en bedanken dan ook en masse voor een plek in het schaduwkabinet. Het is zelfs mogelijk dat – en de geschiedenis van Labour kent een traditie in deze – een groep parlementsleden een eigen progressieve beweging opzet binnen het Britse parlement. Als de kiezer zich op eenzelfde wijze vervreemd gaat voelen van het radicaal-linkse geluid dan creëert Labour een enorm gat tussen de linker vleugel en het midden. Er ontstaat een electoraal vacuüm. Er is binnen de Britse politiek op dit moment een partij die daar garen bij kan spinnen: de Lib Dems onder leiding van Tim Farron. Farron is de sociaal-progressief die als opvolger van Nick Clegg de Lib Dems een nieuw gezicht moet geven. De verdere vervreemding van de kiezer van Labour zou de partij van Farron weer terug kunnen brengen in het centrum van de macht. In dat geval zouden de verkiezingen van 2020 een tweestrijd worden tussen Farron en de Conservatives (tegen die tijd waarschijnlijk onder leiding van de burgemeester van Londen, Boris Johnson).

Dit zijn slechts twee mogelijke scenario’s. Het zijn wel de twee meest extreme scenario’s die denkbaar zijn: een volledig verval van Labour aan de ene kant en een ongelofelijke wederopstanding aan de andere kant. Misschien ligt de waarheid zoals wel vaker ergens in het midden. Zittend premier Cameron gaat in ieder geval een nieuwe opponent tegenover zich zien tijdens de PMQ’s. De PMQ’s op woensdagmiddag zullen weer het spektakelstuk worden dat ze waren toen Blair en Hague daar de degens kruisten. Hoe Corbyn zich aan de front bench zal manifesteren en wat dit doet met de Britse kiezer is iets dat de toekomst uit zal gaan wijzen. En hoewel cliché, is het niet minder waar: de toekomst zal het leren.