Freud versus de Afsluitdijk

Vanaf de Romantiek heeft de wetenschap een bepaalde invloed uit weten te oefenen op de visie die schrijvers en critici hadden op de literatuur. Het realisme en het naturalisme ontstonden in de literatuur aan de hand van de filosofie van het positivisme van Auguste Comte1. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam de Oostenrijkse neuroloog Sigmund Freud met een baanbrekende nieuwe visie op de menselijke psyche. De invloed van Freud op literatuur is lang van kracht geweest.2
In de Nederlandse literatuur is de verdieping van het ‘ik’ in de roman – iets dat kan worden toegeschreven aan de visie van Freud op de mens – onder andere terug te vinden bij Het land van herkomst van E. du Perron en de Anton Wachterreeks van Simon Vestdijk.3 Deze verdieping van het ‘ik’ uit zich in de kunst, en in het bijzonder in de literatuur, vooral in de periode van het modernisme. In deze periode verschijnen in de Nederlandse literatuur de eerste bewustzijnsromans.4 Maar naast een directe invloed op de literatuur heeft de theorie van Freud ook een nieuwe wijze van interpreteren tot stand gebracht. In dit essay zal worden ingegaan wat de rol van de psychoanalyse van Freud kan zijn bij het interpreteren van het Nederlandstalige gedicht Afsluitdijk van M. Vasalis.

Allereerst is het belangrijk om te bespreken wat de theorie van Freud precies inhoudt. Zijn visie op de menselijke psyche en de uitwerking van die visie op het menselijke handelen is zodanig uitgebreid dat het onmogelijk is om hier in zijn volledigheid te bespreken. De thema’s uit Freuds theorie die voor dit essay van belang zijn zullen hier worden besproken. Allereerst is het van belang dat Freud tot de conclusie kwam dat de mens een gelaagd wezen is: zij bestaat uit drie psychische zones. De eerste van deze drie is het Es. Dit is de zone die verantwoordelijk is voor alle driften van de mens. Dit zijn onder andere seksuele verlangens en agressie. Deze zone is volgens de theorie van Freud volledig onbewust, de mens neemt hier geen kennis van. Om deze driften in evenwicht te houden zijn er twee andere zones: het Ik en het Boven-Ik. Deze scheiding tussen het Ik en het Boven-Ik vond in een later stadium plaats.5 In eerste instantie was er sprake van een scheiding van het Es en het Ik. Het Boven-Ik is de gehele verzameling van regels die van bovenaf wordt opgelegd aan de mens. Hierbij speelt de opvoeding een grote rol, dan worden immers de regels van de samenleving uitgelegd. Het Boven-Ik wordt gezien als de zone die de samenleving beschermt tegen het Es. Als laatste zone is er de Ik, deze is verantwoordelijk voor de bescherming van het individu tegen zijn eigen Es. Het Ik zorgt ervoor dat de verlangens van het Es op een ongevaarlijke manier worden geuit.6

Een ander belangrijk aspect in de theorie van Freud is de droomduiding. In zijn Droomduiding gaat Freud dieper in op de herkomst en de duiding van bepaalde dromen. Voor de analyse van dromen gebruikt hij zowel dromen van zichzelf als die van anderen. Volgens Freud bevatten dromen herinnering, waarvan een groot aantal hun herkomst hebben in de kindertijd. Hij ziet daarnaast de droom ook als de toegangspoort tot het onbewuste.7 Dit vormt de droom mede tot het beginpunt van zijn later zo bekend geworden psychoanalyse.
Er is nog een onderdeel van de theorie van Freud die voor de bespreking van Afsluitdijk van belang is. Dit het Oedipuscomplex. Dit naar het verhaal van Sophocles vernoemde fenomeen heeft betrekking op de relatie tussen het kind en de ouders. Volgens Freud ontwikkelt het kind zich tussen het derde en zesde levensjaar op seksueel gebied. Voor deze periode voelt het kind zich nog een met de moeder, er is sprake van een bepaalde symbiose tussen moeder en kind. Dit noemt men de preoedipale fase. In de fase die hierop volgt, de oedipale fase, wil het kind liefde ontvangen van de ouders van het andere geslacht en ziet zodoende de ouder van hetzelfde geslacht als rivaal.8 Hillenaar en Schönau vertalen deze visie van Freud naar de moederwereld en de vaderwereld. In de moederwereld – de preoedipale fase – draait het om nabijheid, dit komt overeen met de symbiose zoals die hierboven staat beschreven. Volgens Hillenaar en Schönau krijgt deze moederwereld in de taal de vorm van metonymieën. De vaderwereld – de oedipale fase – draait het eerst om de rivaliteit en daarna om de ouder van hetzelfde geslacht die het voorbeeld wordt. Dit noemen Hillenaar en Schönau gelijkenis.9
Zoals de inleiding al aangaf heeft de psychoanalyse invloed uitgeoefend op de literatuur. De al eerder aangehaalde bewustzijnsroman is hier een goed voorbeeld van. Maar naast de directe invloed van de theorie van Freud op de literatuur is er ook een invloed van zijn theorie op de literaire tekstinterpretatie. Hillenaar en Schönau hebben een reeks aan teksten onderworpen aan de psychoanalytische tekstinterpretatie. Zij hebben in het boek Tekst en psyche niet de psychoanalyse toegepast op de teksten, maar hebben de onderliggende psychoanalytische aspecten uit de teksten proberen te destilleren. Er wordt in het boek van Hillenaar en Schönau vooral gezocht naar de onbewuste freudiaanse verwijzingen met betrekking tot dromen, kindertijd en de seksualiteit.10

Tekst en psyche bestudeert onder andere teksten van Proust, Joyce, Kafka en Van het Reve. In het vervolg van dit essay zal ik ingaan op de interpretatie van het gedicht Afsluitdijk van M. Vasalis. Allereerst zal een kort worden ingegaan op wie Vasalis was en hoe zij geplaatst moet worden in de literatuurgeschiedenis. Daarna zal de interpretatie van Hillenaar en Schönau worden besproken en tot slot zal ik mijn eigen aanvullingen en kritiek hierop geven.

De dichteres M. Vasalis – pseudoniem van Margaretha Drooglever Fortuyn-Leenmans – publiceerde haar eerste dichtbundel Parken en woestijnen in 1940. De kritiek op haar eerste dichtbundel was zeer positief, ze stak volgens de critici uit boven de algemeen gebruikte parlandostijl. Haar poëzie kenmerkt zich door tegenstellingen, dit doet de titel van haar eerste bundel al vermoeden. Daarnaast is het opvallend dat Vasalis in haar gedichten alledaagse ervaringen weet te verwerken die een diepere beleving weten op te roepen. Als laatste is het van belang om hier op te merken dat beelden die Vasalis in haar poëzie gebruikt veelal suggestief zijn, deze beelden hebben vaak ook een symbolische waarde.11 Deze kenmerken van haar poëzie maken het dichtwerk van Vasalis uitermate geschikt voor een onderwerping aan de psychoanalytische tekstinterpretatie.

Voordat ik kan beginnen met het bespreken van de interpretatie van het gedicht Afsluitdijk is het van belang nog een bepaald aspect uiteen te zetten dat volgens Hillenaar en Schönau van groot belang is. Dit heeft betrekking op de theorie van Freud op de kindertijd met betrekking tot de literatuur. Volgens Freud speelt de kindertijd en de ervaringen die de mens daar opdoet een leven lang onbewust mee. Het speelt bij een schrijver nog mee in het onbewuste.12 De herinneringen spelen hierbij een zeer belangrijke rol, volgens Freud vormen deze herinneringen het oermateriaal van de literatuur.13
Freud ziet literatuur als een vorm van dagdromen, dit kent zijn oorsprong in de droom van het kind.14 Het kind probeert in zijn dromen aan de hand van verbeelding een brug te bouwen tussen de werkelijkheid en de verlangens. Freud ziet in deze context in de literatuur wat hij noemt de familieroman: een netwerk van dromen die een kind heeft over belangrijke personen in het leven.15

Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos,
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, in ’t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze toch, geen toekomst, geen verleden
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.16

Op het eerste oog lijkt het hier te gaan om een heel volwassen gedicht waarbij slechts in de eerste strofe een duidelijke verwijzing is naar de kindertijd. Toch spelen er in dit gedicht twee herinneringen die direct verwijzen naar de kindertijd: de droom van de eerste strofe en de zeemeermin. Deze laatste vooral omdat de zeemeermin vooral in de jeugdjaren een belangrijk figuur is. Dan wordt er immers voorgelezen uit het werk van Andersen.
In de eerste strofe wordt aan de hand van een metafoor – ‘de bus rijdt als een kamer’ – een beeld geschetst dat veilig oogt. De sfeer van deze strofe is er een van intimiteit, deze intimiteit wordt kracht bijgezet door het woord wij in de laatste regel van de strofe. De ‘wij’ impliceert ook een bepaalde symbiose, waarschijnlijk tussen het kind en de moeder. Dit wordt aannemelijker gemaakt door de zinsnede een kleine maan schijnt zacht, dat uit een wiegeliedje komt. Volgens Hillenaar en Schönau verwijst het woord eindeloos naar de gevoelde eindeloosheid bij het dromen.17 Dit dromen past in de theorie van Freud, de hierboven genoemde symbiose zou in die context wijzen op de preoedipale fase. De symbiose die hierboven werd aangehaald heeft betrekking op de nabijheid uit de moederwereld die Hillenaar en Schönau bespreken. Toch wordt in deze strofe ook al snel duidelijk dat de sfeer van symbiose niet eeuwig duurt, dit zit in het woord rusteloos.18

In de tweede strofe komt de reizigster terecht in de oedipale fase: zij maakt kennis met de ander.19 In dit geval met twee matrozen. Opvallend is dat in deze strofe die de oedipale fase beschrijft er ook sprake is van een voor die fase zo kenmerkende verlangens. Deze seksuele verlangens van de reizigster uiten zich in de volgende zinsneden: Jonge pas-geschoren nekken, lenig rekken en tot slot op elkaars schouders slapen. Dit laatste wijst volgens Hillenaar en Schönau naar de positie die stellen aannemen die zojuist gevreeën hebben20. In deze strofe gaat het vooral om de verlangens van het ‘ik’, kenmerkend voor de oedipale fase.
In de laatste strofe lijkt de reizigster te verdwalen in haar gedachten. Het raam van de bus blijkt als een soort halve spiegel te functioneren. De reizigster ziet zowel de mensen in de bus als de wereld buiten de bus. Zij ziet de Zuiderzee en zij ziet zichzelf, het beeld dat zij dan krijgt is: haar hoofd dat boven het water van de Zuiderzee uitkomt. Dit roept de vergelijking op met de zeemeermin. Hillenaar en Schönau vermoeden dat de reizigster haar verlangens nu eindelijk een naam kan geven: zij is een zeemeermin.21 Deze interpretatie wordt kracht bijgezet door de regels waarin de vrouw een stem krijgt: zij kan als een zeemeermin met een lied de matrozen verleiden.22 In het beeld van het busraam als spiegel moeten de twee matrozen het ontgelden: zij worden gesneden door het gras. Dit zou te maken hebben met het niet ingaan op de verleiden van de reizigster.

Pas in de laatste regel wordt er een link gelegd met de titel van het gedicht. De gespletenheid in de laatste regel duidt waarschijnlijk op de gespletenheid van het innerlijk.23 Er zijn voor de mens twee werelden: de wereld van de verlangens en de wereld van de werkelijkheid. De metafoor van de Afsluitdijk kan worden uitgelegd als de grens tussen de twee werelden. Het blijkt uit de laatste strofe dat de reizigster hangt boven de dijk, ze zit niet in een van de twee wereld. Ze komt zowel bij haar verlangens als bij de werkelijkheid.

Er zijn twee aspecten waaraan Hillenaar en Schönau mijns inziens te weinig aandacht hebben besteed. Allereerst het woord ‘onschuldig’ in de laatste regel van de tweede strofe. Dit woord klopt namelijk niet in de context van deze strofe. De strofe wordt gezien als een uiting van de seksuele verlangens die kenmerkend zijn voor de oedipale fase. Deze verlangens zijn niet onschuldig. Hoe dit woord moet worden geïnterpreteerd durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar dat het onderbelicht is geraakt in de interpretatie van Hillenaar en Schönau durf ik wel te stellen.
Een tweede onderdeel waar naar mijn idee meer aandacht naar uit had kunnen gaan is de functie van de titel van het gedicht. De Afsluitdijk wijst op veel meer dan alleen maar de scheiding zoals Hillenaar en Schönau aangeven. Het is de scheiding tussen open zee en het IJsselmeer. Het IJsselmeer is heel beperkt, want begrensd. De zee is juist een grenzeloze omgeving waar je vrij alle wegen kunt begaan. In dat opzicht lijkt de Afsluitdijk aan te geven dat er aan de zuidkant van de Afsluitdijk sprake is van het Ik en het Boven-Ik en is de noordkant de ruimte waar het Es zich in beweegt.
Wat in ieder geval belangrijk is om te vermelden is dat dit gedicht van Vasalis – net als vele andere gedichten en prozateksten – nog lang niet uitgeïnterpreteerd is. Er zijn steeds nieuwe aanknopingspunten voor andere interpretaties. De interpretatie van literaire teksten blijkt onuitputtelijk te zijn.

Bibliografie

Van Boven en Kemperink 2006
Boven, E. van, & Kemperink, M.Literatuur van de Moderne Tijd. Nederlandse en Vlaamse letterkunde in de 19e en 20e eeuw, Bussum: Coutinho, 2006.

Freud 2009a
Freud, Sigmund, Het Onbewuste, red. W. Oranje, Amsterdam: Boom, 2009.

Freud 2009b
Freud, Sigmund, De Droomduiding, red. W. Oranje, Amsterdam: Boom, 2009.

Ghesquière 2008
Ghesquière, R., Literaire verbeelding 2. Een geschiedenis van de Europese literatuur en cultuur vanaf 1750, 2e druk, Leuven: Acco, 2008.

Guerin et al. 2004
Guerin, W.L. e.a., A handbook of critical approaches to literature, 5e druk, Oxford: Oxford University Press, 2004.

Hillenaar en Schönau 2004
Hillenaar, H. & Schönau, W., Tekst en psyche. Psychoanalytische tekstinterpretatie in de praktijk, Amsterdam: Boom, 2004.

Vasalis 2011
Vasalis, M. Parken en woestijnen,50e druk, Amsterdam: Van Oorschot, 2011.

  1. Ghesquière 2008, p.142 []
  2. Van Boven en Kemperink 2006, p. 162 []
  3. Van Boven en Kemperink 2006, p. 212-214 []
  4. Van Boven en Kemperink 2006, p. 210 []
  5. Freud 2009a, p.485 []
  6. Voor de beschrijving van de drie zones is gebruik gemaakt van de tekst van Guerin et al. Freud 2009a, p. 400 is gebruikt voor de vertaling van de termen []
  7. Freud 2009b, p. 679 []
  8. Freud 2009b, p.301-3260) Na een bepaalde periode verdwijnt de rivaliteit en ziet het kind de ouder van hetzelfde geslacht als voorbeeld. ((Hillenaar en Schönau 2004, p. 60 []
  9. Hillenaar en Schönau 2004, p. 58-61 []
  10. Hillenaar en Schönau 2004, p.14 []
  11. Van Boven & Kemperink 2006, p.215 []
  12. Hillenaar en Schönau 2004, p.55 []
  13. Hillenaar en Schönau 2004, p.55 []
  14. Hillenaar en SChönau 2004, p.56 []
  15. Hillenaar en Schönau 2004, p.56 []
  16. Vasalis 2011, p.20 []
  17. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  18. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  19. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  20. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  21. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  22. Hillenaar en Schönau 2004, p. 63 []
  23. Hillenaar en Schönau 2004, p. 65 []