Essay

Barthes en de Eiffeltoren

de eiffeltoren als symbool

De Franse intellectueel Roland Barthes is vooral bekend vanwege zijn essay La mort de l’Auteur uit 1968 waarin hij de schrijver dood verklaard. Aan de hand van dit essay kwam een heel nieuwe visie op de literatuurstudie tot stand: er werd niet langer gekeken naar de persoon achter het boek, maar naar de lezer. Aan de hand van de tekentheorie van Ferdinand de Saussure analyseert Barthes allerlei culture aspecten met in het bijzonder aandacht voor de structuur en de rol van tekens daarin. De structuralistische benadering die ook Barthes een deel van zijn leven aanhangt is door diverse wetenschappers toegepast op vrijwel alle culturele aspecten, zoals de analyse van inheemse volken door de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss. Barthes zelf het bekendste bouwwerk van Parijs onder de structuralistische loep gelegd. In dit essay zal ik analyseren hoe Barthes de Eiffeltoren analyseert en welke rol het structuralisme hierin speelt.

Zelfbewustzijn bij Sartre

De deur naar het bewustzijn staat voor het ik op een kier

Sartre is een van de laatste filosofen die in een studie zijn visie op het bewustzijn van de mens heeft gepresenteerd. In zijn La transcendance de l’Ego; esquisse d’une description phénoménologique (in het Nederlands vertaald naar: Het ik is een ding; schets ener fenomenologische beschrijving) plaatst hij zich in een rijtje van toonaangevende filosofen die zich op het gebied van het bewustzijn hebben uitgelaten. Een aantal van hen – voornamelijk de Duitse filosoof Husserl – gaan uit van een reflexief bewustzijn, een ik dat pas bij reflectie kan worden opgemerkt. Husserl stelt dat deze reflectie geen grenzen kent en derhalve als een soort Droste-effect een oneindigheid van reflecties kan plaatshebben. Op precies dat laatste breekt Sartre met Husserl. Sartre keen geen oneindigheid aan reflecties, volgens hem is er reflectie mogelijk tot de derde graad en niet verder. Het is gezien het voorgaande interessant om te bekijken waarom Sartre de oneindigheid van reflecties een halt toe roept en met welke argumenten hij breekt met zijn voorganger Husserl. Dit paper zal zich in het bijzonder richten op de visie van Sartre op het reflectiemodel en zijn beweegredenen om afstand te nemen van de oneindigheid van reflecties.

De democratie een organisch geheel

De (be)werkelijkheid van democratie

Het is zondag 2 september als de Britse premier Theresa May in een interview in de Sunday Telegraph laat ontvallen dat een tweede referendum over Brexit verraad van de democratie zou zijn. Het is een uiting die volgt op een steeds sterker wordende roep in het Verenigd Koninkrijk – zowel vanuit het politieke krachtenveld als vanuit de samenleving –  om de uitkomsten van de Brexitonderhandelingen aan het volk voor te leggen. Tijdens het congres van de Labour Party afgelopen week lag de focus al veel meer op de vraag welke opzet een nieuw referendum zou moeten hebben en werd er minder gesproken of zo’n referendum er zou moeten komen. Een onbegaanbare weg voor May, ondanks de geluiden vanuit ook haar eigen Conservative Party. Er is een lange aanloop geweest om te komen tot waar de Britten nu staan. Hoe kwamen ze in deze positie terecht en is een tweede referendum echt een verraad aan de democratie? 

Kunst krijgt spelenderwijs haar betekenis

Gadamer en het spel

Hoe de mens de kunst opvat en hoe er betekenis aan wordt gegeven is een vraag die met enige regelmaat gesteld wordt. Dit gebeurt zowel in de filosofie als daarbuiten, bijvoorbeeld in de kunstgeschiedenis en de literatuurwetenschappen. De Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer besteedt in zijn boek Het schone veel aandacht aan deze vraag. Een van de invalshoeken die hij kiest is het kijken naar kunst als een vorm van spel.
Hoe dat spel in elkaar steekt en hoe Gadamer aan de hand van het spel aan kunst betekenis toe wil kennen staan in dit essay centraal. De concrete vraag waarvan zal worden gepoogd er een antwoord op te formuleren luidt als volgt: welke kenmerken van het spel keren volgens Gadamer terug in de kunst en hoe zorgen deze aspecten van het spel voor betekenistoekenning aan het kunstwerk?

Freud versus de Afsluitdijk

Psychoanalytische tekstinterpretatie van Vasalis

Vanaf de Romantiek heeft de wetenschap een bepaalde invloed uit weten te oefenen op de visie die schrijvers en critici hadden op de literatuur. Het realisme en het naturalisme ontstonden in de literatuur aan de hand van de filosofie van het positivisme van Auguste Comte. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam de Oostenrijkse neuroloog Sigmund Freud met een baanbrekende nieuwe visie op de menselijke psyche. De invloed van Freud op literatuur is lang van kracht geweest.
In de Nederlandse literatuur is de verdieping van het ‘ik’ in de roman – iets dat kan worden toegeschreven aan de visie van Freud op de mens – onder andere terug te vinden bij Het land van herkomst van E. du Perron en de Anton Wachterreeks van Simon Vestdijk. Deze verdieping van het ‘ik’ uit zich in de kunst, en in het bijzonder in de literatuur, vooral in de periode van het modernisme. In deze periode verschijnen in de Nederlandse literatuur de eerste bewustzijnsromans. Maar naast een directe invloed op de literatuur heeft de theorie van Freud ook een nieuwe wijze van interpreteren tot stand gebracht. In dit essay zal worden ingegaan wat de rol van de psychoanalyse van Freud kan zijn bij het interpreteren van het Nederlandstalige gedicht Afsluitdijk van M. Vasalis.

Derrida en het vertalen

de uitdaging van de beruchte Toren

Het is een bekend probleem, onder andere bij literatuur: vertaling. Het vertalen van teksten is problematisch, want talen kunnen elkaar niet volledig dekken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het Nederlandse woord ‘gezellig’, dit woord is onmogelijk naar het Engels te vertalen. Het probleem van vertalen wordt door de Franse filosoof Jacques Derrida onderschreven.
Hij gaat hier onder andere opin in een brief van 10 juli 1983. In deze brief geeft Derrida aan hoe moeilijk het is om de term ‘deconstructie’ te vertalen naar het Japans. In een eerder essay, geschreven in 1985, gaat Derrida in op vertalen op zich. Hij bespreekt dit aan de hand van het uit Genesis bekende verhaal van de Toren van Babel. In dit essay zal ik bespreken wat door Derrida naar voren wordt gebracht in zijn essay ‘Des Tours de Babel’. Dit zal ik – hoe ironisch dit eigenlijk ook moge zijn – doen aan de hand van de vertaling van J.F. Graham.

De toekomst van de bibliofiel

Iedereen kent het beeld: een overvolle boekenkast met daarvoor nog een paar dozen vol met boeken, een charismatische chaos van boeken. Het is de boekenkast van de bibliofiel.
Nederlands meest bekende bibliofiel is hoogstwaarschijnlijk wijlen Gerrit Komrij. Hij had toen hij in 2012 overleed in zijn bibliotheek in Portugal om en nabij vijftigduizend boeken staan. In het vorig jaar verschenen boek Halfgod verzamelaar zijn alle boekgerelateerde essays van Komrij gebundeld. Hieruit komt het beeld naar voren van een echte bibliofiel. Dit is goed te zien in het volgende citaat: ‘De bibliofiel is een veelvraat, een slokop, een ordinaire opstapelaar. Boeken zijn voor hem geen doel, maar een middel.’ De vraag die vandaag de dag gesteld kan worden is: hoe ziet de toekomst van de bibliofiel er eigenlijk uit? Want met de komst van het e-boek dreigt de overvolle boekenkast te veranderen in een flinterdunne tablet. Bestaat er over honderd jaar nog wel een bibliofiel?