Een biografie van de brief

In het voorjaar van 1914 schreef Ludwig Wittgenstein aan Bertrand Russell: ‘Nu ik me weer met jou verzoend heb, wil ik in vrede van je scheiden, opdat we elkaar niet nog een keer in de haren vliegen en dan misschien in vijandschap uit elkaar gaan.’1 Het is een brief uit een rijke correspondentie tussen twee originele denkers uit de twintigste eeuw. Een brief als deze zou vandaag de dag waarschijnlijk worden vervangen door een eenvoudige mail. Het is journalist Simon Garfield die in dit licht de pen heeft opgepakt. Hij is in het verleden gedoken van de brief en heeft daarmee in wezen een biografie van de brief geschreven met zijn boek Ode aan de brief.

Garfield bespreekt in zijn boek een aantal kanten van de brief en de wereld rondom de brief. Van de klassieke tijd tot het heden, van de postbezorger tot de verzamelaar. Het boek laat zien dat bij het fenomeen van de brief veel meer komt kijken dan louter een pen en papier. Als wij gaan naar de oorsprong van de brief zoals wij die vandaag de dag kennen heeft Plinius de Jongere (62-ca. 113) een belangrijke rol gespeeld. Zijn brieven geven een authentiek beeld en zijn niet – zoals de brieven van Cicero en Seneca – doorvoed van retorische taal. Plinius bezigt natuurgetrouwe en goed leesbare beschrijvingen van onder andere de uitbarsting van de Vesuvius. Een opvolger vindt Plinius pas in de Renaissance met de Toscaanse schrijver en dichter Francesco Petrarca (1304-1374). Zijn brieven bestrijken een groot scala aan onderwerpen. Hij besteedde in zijn brieven aandacht aan de politiek, de literatuur en aan zijn eigen reizende leven. Hij reisde veel door Europa en schreef vanuit heel Europa brieven. Petrarca kan worden gezien als de eerste ambassadeur van de brief.
De brief werd na Petrarca weer gezien als een handig communicatiemiddel om informatie uit te wisselen. Een steeds groter wordend aantal mensen klom in de pen om brieven te schrijven. De groeiende populariteit van de brief en de uitvinding van de boekdrukkunst bracht ook iets nieuws met zich mee: de handleiding voor het schrijven van een brief. De veelheid aan handleidingen door de tijd heen laat ook zien hoe divers de brief gebruikt is: als wijze van opvoeding, voor het uiten van een gevoel van liefde, voor het bediscussiëren van literair werk en als input voor literaire werken. Van dit laatste zijn de brieven van Jane Austin een goed voorbeeld. Aan de hand van haar brieven – die over het algemeen weinig spannends te vermelden hebben – kan een ontwikkeling worden waargenomen die de basis vormt voor de hedendaagse roman. De brieven in verschillende romans van Austin kennen de vrije indirecte rede, een schrijfvorm die de ontwikkeling van de roman in een stroomversnelling bracht. Met haar privébrieven liep het anders: die zijn na haar overlijden door familieleden bewerkt, waardoor een vertekend beeld is ontstaan van Austin. Het herstel van dat beeld vond pas plaats in de twintigste eeuw. Een andere auteur die veel baat gehad heeft bij brieven, maar op een heel andere manier is Emily Dickinson (1775-1817). Zij kon via brieven haar kluizenaarsleven nog enigszins ontvluchten. Ze vertrouwende de posterijen haar hart toe.
Maar hoe breder het publiek werd van de brief als algemeen communicatiemiddel, hoe meer de brief in vergetelheid raakte bij de intellectuelen. Aan het begin van de twintigste eeuw wordt al gewerkt aan een necrologie van de brief. Maar dat is schijn, want juist in de twintigste eeuw komen er de wereld aan handleidingen uit, onder andere van de hand van Lewis Carroll (1832-1889). Carroll was zelf ook een auteur die graag gebruik maakte van de brief. De laatste literator die de pen en papier gebruikte zonder ook maar naar een computer om te kijken is Ted Hughes (1930-1998). Hij was een fervent briefschrijver en vertrouwde de pen meer dan welk ander communicatiemiddel dan ook.
Garfield vergelijkt in een van de laatste hoofdstukken de brief met de e-mail. Hij constateert hier een verschil in lengte en inhoud. De e-mail is toch vaak korter dan een brief, maar er zijn ook overeenkomsten: zo zijn er ook voor de e-mail handleidingen verschenen.

Los van het gebruik van de brief door de eeuwen heen, zijn er twee onderwerpen van groot belang voor het fenomeen zelf: de wijze van verzending en de verzameling. Garfield neemt in zijn boek ook de ontwikkeling van de postbedrijven in de VS en Groot Brittannië mee. Het is een bijzondere tak van sport die de nodige aandacht verdient. Het is voornamelijk de negentiende eeuw waarin op dit gebied veel ontwikkelingen zijn: het ontstaan van de brievenbus, de eerste postzegel in 1840 en het mortuarium voor niet aangekomen brieven. Deze laatste is zeer interessant: de Dead Letter Office, een verzamelpunt in de Washington waar alle niet te verzenden brieven terecht kwamen, vaak door onduidelijke adressering. Het is een schatkamer aan diversiteit van brieven.
Volledig los van de ontwikkeling van de posterijen staat een logisch verlengde van het schrijven van brieven: het verzamelen ervan. Het is opvallend te noemen dat de brief geen duidelijke eigenaar heeft als het gaat om verzamelingen: het blijft vaak hangen tussen de gewone verzamelaar en de instituties als universiteiten. Er zijn over de hele wereld prachtige verzamelingen van particulieren met brieven van Churchill, Woolf, Nabokov en Poesjkin. Nog regelmatig verschijnen er brieven bij grote internationale veilingen en worden er nieuwe brieven ontdekt. De brief is ontegenzeggelijk een bron vol informatie over schrijvers, hun leven en werpen zo nu en dan een ander licht op hun literaire werk.

De brief, een historisch fenomeen. Maar ook een fenomeen dat uit het straatbeeld verdwijnt. Garfield heeft een beeld geschetst van de brief, zijn gebruiken en vormen. Hoewel normaliter een biografie zich richt op een persoon en niet op een gebruiksvoorwerp, heb ik toch sterk de neiging om het werk van Garfield te bestempelen als een biografie. Het plaatst de brief als persoonlijk communicatiemiddel in een historisch kader. Hij laat zien dat de brief zijn hoogte- en dieptepunten heeft gehad en schrijft over de brief als over een persoon. Het is ook juist de brief die in het schrijven van biografieën vaak de noodzakelijke schakel is tussen de persoon zoals de buitenwacht die kent en de persoon los van zijn of haar beroemdheid. Na het lezen van Ode aan de brief voel ik een drang om weer eens de pen te pakken en een brief te schrijven. Maar aan wie kan ik schrijven?

Ode aan de brief. Kroniek van een verdwijnend fenomeen.
S. Garfield
Uitgeverij Podium
najaar 2014
ISBN 9789492060006
431 pagina’s    

  1. citaat afkomstig van pagina 21 van Brieven van Wittgenstein, verschenen bij de Wereldbibliotheek in 2000 []