De Eiffeltoren als symbool

De Franse intellectueel Roland Barthes is vooral bekend vanwege zijn essay La mort de l’Auteur uit 1968 waarin hij de schrijver dood verklaard. Aan de hand van dit essay kwam een heel nieuwe visie op de literatuurstudie tot stand: er werd niet langer gekeken naar de persoon achter het boek, maar naar de lezer. Aan de hand van de tekentheorie van Ferdinand de Saussure analyseert Barthes allerlei culture aspecten met in het bijzonder aandacht voor de structuur en de rol van tekens daarin. De structuralistische benadering die ook Barthes een deel van zijn leven aanhangt is door diverse wetenschappers toegepast op vrijwel alle culturele aspecten, zoals de analyse van inheemse volken door de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss.[1] Barthes zelf het bekendste bouwwerk van Parijs onder de structuralistische loep gelegd. In dit essay zal ik analyseren hoe Barthes de Eiffeltoren analyseert en welke rol het structuralisme hierin speelt.

 De structuralistische benadering

Voordat er echt kan worden gekeken naar het betreffende essay van Barthes is het van belang om een helder beeld te krijgen wat het structuralisme precies is en hoe het te werk gaat. Van Heusden en Jongeneel stellen dat het structuralisme het best gekenschetst kan worden een benadering waarin de werkelijkheid wordt gezien als een netwerk van relaties.[2]

De structuralistische stroming binnen de geesteswetenschappen kent haar oorsprong in de visie van de Zwitserse linguïst Ferdinand de Saussure. Zijn kijk op de taal en het (talige) teken zijn postuum verschenen in Cours de linguistique generale,  een verzameling van aantekeningen gemaakt door zijn studenten tijdens zijn colleges over de linguïstiek. Saussures visie op de taal en de rol van (talige) tekens daarin hebben de hedendaagse visie op de geesteswetenschappen voor een belangrijk deel vormgegeven.[3] Er zijn drie noties van De Saussure die van groot belang zijn om die kanten van de  structuralistische benadering te kunnen vatten die van belang zijn voor dit essay . Boven deze drie noties hangt een centrale visie: een teken bestaat uit een betekenaar en een betekende en een teken functioneert alleen als deze beide onderdelen van het teken aanwezig zijn.[4] Dit idee vormt de basis voor de drie noties die van belang zijn voor dit essay.

De eerste van deze drie heeft betrekking op de betekenis van een woord. Volgens De Saussure is de betekenis van woorden arbitrair en ligt die betekenis dus niet vast in het object. Een betekenis is dus een door de mensen binnen een bepaald taalgebied gemaakt afspraak. In Course de linguistique generale wordt het als volgt beschreven:

“Since we are treating a sign as the combination in which a signal is associated with a signification, we can express this more simply as: the linguistic sign is arbitrary.“[5]

Het tweede punt van De Saussure heeft betrekking op de taal en de relatie tot de wereld. Hij stelt dat doordat de betekenis niet in het object zit wij de taal nodig hebben om onze wereld te construeren. Zonder die taal zouden wij niet over de wereld kunnen communiceren. De taal bouwt de wereld op een geeft die wereld ook betekenis.[6] Dit laatste is goed te zien in de woordkeuze van mensen. In de actualiteit vinden we hiervan een goed voorbeeld: de strijders tegen het Syrische regime worden door president Assad terroristen genoemd en voor het Westen zijn het rebellen of verzetsstrijders. Toch wordt met deze drie verschillende woorden exact dezelfde groep mensen bedoeld. Kortom: de taal bepaald hoe wij de wereld zien.
De laatste notie die binnen dit essay van belang is heeft wederom betrekking op betekenis. Volgens De Saussure hebben woorden als ze geïsoleerd zijn geen enkele betekenis. De betekenis van een woord komt tot stand in relatie met andere woorden. Barry geeft hierbij een mooi voorbeeld: een hut kent zijn betekenis als hut door het te plaatsen in een rijtje andere woorden zoals krot, tent, huis, villa en kasteel. [7] Binnen dit lexicale rijtje onderscheidt de hut zich van de andere op basis van bepaalde kenmerken. Zonder dit rijtje kan – en dus zonder het bestaan van die andere woorden – is er geen verschil tussen deze woorden.

Een direct gevolg van deze drie noties is dat taal en werkelijkheid volledig los van elkaar staan en dat taal niet als het verlengde van de werkelijkheid fungeert. Voor het structuralisme –waarbij dus de structuren en systemen worden geanalyseerd – is het volgende wat De Saussure stelt ook nog van belang:

“The language itself is a system which admits no other order than its own.”[8]

Ik hoop met het bovenstaande een beeld te hebben gegeven van het structuralisme als benadering binnen de geesteswetenschappen. Ik heb niet de gehele benadering kunnen toelichten, maar heb de focus gelegd op die aspecten die voor het vervolg van dit essay van belang zijn.

Roland Barthes

Voordat het essay over de Eiffeltoren ter sprake komt is het van belang nog even kort in te gaan op de persoon Roland Barthes. Deze Franse intellectueel is van groot belang geweest voor het structuralisme. Hij heeft de weg die De Saussure was ingeslagen gevolgd en heeft volgende stappen gezet. Een belangrijke aanvulling op De Saussure heeft Barthes gedaan binnen het kader van het teken en de betekenis. Volgens Barthes bestaat de betekenis van een teken – net als het teken zelf – uit twee onderdelen: denotatie en connotatie. De eerste is de letterlijke betekenis zoals opgenomen in het woordenboek, het tweede heeft betrekking op onderliggende betekenissen die verborgen zitten achter de letterlijke betekenis.[9] Barthes heeft zelf in zijn Mythologies heel uiteenlopende aspecten van de moderne cultuur onder de structuralistische loep gelegd: van verkiezingsposters tot de striptease. Na zijn essay over de dood van de auteur en de daarmee gepaard gaande geboorte van de lezer heeft Barthes een transitie ondergaan van structuralist naar post-structuralist. Maar nog voor het verschijnen van La mort de l’Auteur schreef Barthes een typisch structuralistisch essay over de Eiffeltoren.

Barthes en de Eiffeltoren

Het in 1964 verschenen essay is de meest uitvoerige uit zijn bundel Het werkelijkheidseffect. Barthes analyseert de Eiffeltoren en gaat hierbij in op heel diverse aspecten van het bouwwerk. Voordat hij echt ingaat op de –opvallende uiteenlopende – symbolische functies van de toren stelt hij eerst een aantal dingen vast. Zo stelt Barthes dat de toren een nutteloos monument moet zijn[10], hij koppelt dit ook aan het feit dat het een leeg monument is, het bevat geen inhoud.[11] Wat opvallend is, is dat Barthes ook de theorie achter de structuralistische benadering ziet in de Eiffeltoren. Hij stelt bijvoorbeeld:

“het vogelperspectief, dat elke bezoeker van de Toren zich voor een ogenblik eigen kan maken, stelt de wereld voor als leesbare en niet enkel zichtbare werkelijkheid; daarom correspondeert het met een nieuwe sensibiliteit van het kijken. “[12]

In dit citaat zit het idee van de structuralistische benadering verpakt waar het gaat om de wereld die leesbaar – dus bestaande uit tekens –  en dus niet louter zichtbaar is. Vooral het laatste deel van het bovenstaande citaat laat de nieuwe kijk op de cultuur en de kunst doorklinken. De structuralisten hebben afstand genomen van het van het idee van close reading en gaan op een hoger niveau kijken naar teksten. Dat idee zit ook in het bovenstaande citaat verpakt, van hogerop een nieuw beeld vormen van de stad.

Barthes stelt al eerder in zijn essay dat de Eiffeltoren betekenis toekent aan de stad Parijs. Het onvermijdelijke teken – zo noemt Barthes de Eiffeltoren aan het begin van zijn essay – kent betekenis toe aan de Franse hoofdstad. Barthes geeft in het verlengde hiervan aan dat er derhalve sprake is van een relatie tussen de stad en de toren. [13] Hij ziet de Eiffeltoren bovenal als een symbool. Een toren die uiteindelijk hét symbool wordt voor Parijs. Barthes stelt in het vervolg hiervan ook dat het de nutteloosheid van de toren is die het tot zo’n zeer krachtig symbool weet te maken. [14]

De Eiffeltoren is volgens Barthes ook een brug. Een nieuwe brug, want de brug loopt verticaal in plaats van horizontaal. De toren is volgens hem geen brug van het ene oever naar het andere, maar van de aarde naar de humanistische hemel van vliegtuigen en ruimteschepen. [15]Mijns inziens loopt Barthes door dit aan te geven al wat vooruit op wat hij later in zijn essay stelt, namelijk dat de Eiffeltoren het afscheid is geweest van het verleden en de deur heeft geopend voor de toekomst. Barthes stelt dat als volgt:

“Hij (de Eiffeltoren, nw) kon met andere woorden pas ten volle het symbool van Parijs zijn toen hij de hypotheek van het verleden ophief en ook het symbool van de moderniteit werd.“ [16]

Het fungeren als brug lijkt hier ook een tijdsbrug te zijn. De Eiffeltoren lijkt te breken met alles waar Parijs voor stond: er zit geen geschiedenis in de toren, hij heeft geen nut, er zijn geen mooie vormen aan te ontdekken en het is alles behalve esthetisch. Dit alles maakt de toren tot de breuk met het verleden van Parijs.[17]

Mijn interpretatie van het essay

Ik heb hierboven een aantal mijns inziens belangrijke aspecten van het essay van Barthes uitgelicht. Bij mij is na het lezen het beeld ontstaan van een essay dat vooral poogt de structuralistische benadering als de juiste benadering te bewijzen. Gedurende het gehele essay kwam bij mij   onderhuids constant een gevoel naar boven dat zei: hier wil iemand zijn visie bewijzen. Dit beeld kan ik echter heel moeilijk plaatsen in de tijd, want slechts vier jaar na dit essay evolueert Barthes door naar het post-structuralisme.

Wat mij heel erg is opgevallen is dat Barthes een aantal keren heel expliciet de handelswijze van de structuralistische benadering en de theorie daarachter benoemt in zijn essay. Zo stelt hij onder andere dat de Eiffeltoren de mogelijkheid biedt om aan de ‘gewaarwording te ontstijgen en de dingen in hun structuur te zien.‘[18] Volgens Barthes doet dus elke bezoeker van de toren ook aan structuralisme zonder zich daarvan bewust te zijn.[19] Zeker deze laatste opmerking van Barthes heb ik geïnterpreteerd als een bewijs dat de mens structuralistisch te werk moet gaan, want we doen het op de Eiffeltoren al onbewust.

 

 

Bibliografie

Achterhuis e.a. 1999
Achterhuis, H. & Sperna Weiland, J. & Teppema, S. & Visscher, de J., De Denkers. Een intellectuele biografie van de twintigste eeuw, Amsterdam: uitgeverij Contact, 1999.

Barry 2009
Barry, p., Beginning theory. An introduction to literary and cultural theory, 3e druk, Manchester: Manchester University Press, 2009.

Barthes 2004
Barthes, R., Het werkelijkheidseffect, Groningen: Historische uitgeverij, 2004.

Brillenburg Wurth & Rigney 2009
Brillenburg Wurth, K. & Rigney, A., Het leven van teksten. Een inleiding tot de literatuurwetenschap, 3e druk, Amsterdam: Amsterdam  University Press, 2009.

Heusden & Jongeneel 1993
Heusden, B., van & Jongeneel, E., Algemene literatuurwetenschap. Een theoretische inleiding, Utrecht: Het spectrum, 1993.

 Saussure 2009
Saussure, F., de, Course in General Linguistics 19e druk, Chicago and La Salle: Open Court, 2009. 

[1] Achterhuis e.a. 1999, p. 442

[2] Heusden & Jongeneel 1993, p. 42

[3] Achterhuis e.a. 1999, p. 34

[4] Brillenburg Wurth & Rigney 2009, p. 276

[5] Saussure 2009, p. 67

[6] Barry 2009, p. 42

[7] Barry 2009, p. 41

[8] Saussure 2009, p. 23

[9] Brillenburg Wurth & Rigney 2009, p. 277

[10] Barthes 2004, p. 58

[11] Barthes 2004, p. 60

[12] Barthes 2004, p. 62

[13] Barthes 2004, p. 61

[14] Barthes 2004, p. 80-81

[15] Barthes 2004, p. 76

[16] Barthes 2004, p. 82

[17] Barthes 2004, p. 82

[18] Barthes 2004, p. 62

[19] Barthes 2004, p. 63