De deur naar het bewustzijn staat voor het ik op een kier

Sartre is een van de laatste filosofen die in een studie zijn visie op het bewustzijn van de mens heeft gepresenteerd. In zijn La transcendance de l’Ego; esquisse d’une description phénoménologique (in het Nederlands vertaald naar: Het ik is een ding; schets ener fenomenologische beschrijving) plaatst hij zich in een rijtje van toonaangevende filosofen die zich op het gebied van het bewustzijn hebben uitgelaten. Een aantal van hen – voornamelijk de Duitse filosoof Husserl – gaan uit van een reflexief bewustzijn, een ik dat pas bij reflectie kan worden opgemerkt. Husserl stelt dat deze reflectie geen grenzen kent en derhalve als een soort Droste-effect een oneindigheid van reflecties kan plaatshebben. Op precies dat laatste breekt Sartre met Husserl. Sartre keen geen oneindigheid aan reflecties, volgens hem is er reflectie mogelijk tot de derde graad en niet verder. Het is gezien het voorgaande interessant om te bekijken waarom Sartre de oneindigheid van reflecties een halt toe roept en met welke argumenten hij breekt met zijn voorganger Husserl. Dit paper zal zich in het bijzonder richten op de visie van Sartre op het reflectiemodel en zijn beweegredenen om afstand te nemen van de oneindigheid van reflecties.

Het paper zal worden opgebouwd uit een aantal onderdelen. Allereerst zal inzicht worden gegeven in het begin van de bewustzijnstheorieën in de moderne tijd. Hierbij zijn vooral Descartes en Husserl van belang als filosofen die het reflectiemodel aanhangen en daar studie naar verrichten. Na een korte, bondige beschrijving van de theorie van Descartes en de visie van Husserl zal dieper worden ingegaan op Het Ik is een Ding van Sartre.  Er zal in het bijzonder aandacht zijn voor de drie bewustzijnsgraden die Sartre definieert en de grens die Sartre toekent aan de reflectie. Tot slot zal ik een kritisch licht laten schijnen over de theorie van Sartre en zijn begrenzing van de reflectie.

 

Het begin van het theoretiseren over bewustzijn in de moderne tijd vindt men bij de Franse filosoof René Descartes (1596-1650). Hij is de eerste filosoof die van het bewustzijn een daadwerkelijk thema maakt, hij bevraagt het echt nog niet. Descartes – bij het grotere publiek vooral bekend van zijn uitspraak Cogito ergo sum, ik denk dus ik ben – stelde als een van de eerste filosofen in de moderne tijd dat er sprake is van een strikte scheiding dus het lichaam en de geest. Dit onderscheid wordt door Descartes uiteengezet in een res cogitans (een denkend substantie) en een res extensa (een lichamelijke substantie). Het door Descartes geponeerde res cogitans kan worden gezien als wat tegenwoordig het bewustzijn wordt genoemd. Descartes stelt tevens vast dat het denken nooit los kan bestaan, er is altijd een ik dat denkt. Dit gegeven is van belang, omdat Sartre zijn fenomenologische benadering van het bewustzijn begint bij – en Fretz noemt dit in de inleiding van Het Ik is een Ding een  ‘typisch Frans vertrekpunt’[1] – de filosofie van Descartes.

Descartes heeft een methode tot kennen ontwikkeld die bekend is komen te staan als de methodisch twijfel. Deze methodische twijfel is het resultaat van een gehele eigen zoektocht naar wat waar is. Descartes stelt vast dat als niets zeker is er in beginsel altijd sprake is van twijfel. De mens twijfelt aan alles, maar is op hetzelfde moment wel zeker van dat zij moet doorleven. Er wordt dus niet getwijfeld aan het eigen bestaan, maar aan de hand van de twijfel kan de mens absolute zekerheden vaststellen. Descartes vervolgt zijn visie met de constatering dat als ik aan alles twijfel, dat twijfel zelf op geen enkel moment ter discussie kan staan. En als twijfel kan worden gezien als een vorm van denken, dan houdt dat in dat ik besta zolang als ik denk.[2] Het bewustzijn wordt door Descartes gezien als een res, een ding.

Descartes plaatst in zijn zesde meditatie een onderscheid tussen denken en ‘iets kunnen voorstellen. Dit laatste is volgens Descartes een samenwerking tussen het lichaam en de geest. Terwijl het denken de essentie van het ik is en kan bestaan zonder het lichaam. In het verlengde hiervan stelt de Franse filosoof dat de geest zich richt op zichzelf, er is sprake van reflectie. Deze reflectie speelt een belangrijke rol in de visie op het zelfbewustzijn van Sartre. Descartes stelt dat als het ik een denkend ik is, het zich meteen bewust is van het zelfbewustzijn. Het denken kan volgens Descartes niet worden losgekoppeld van het bewustzijn.

Naast de filosofie van Descartes heeft de filosofie van Husserl een voorname rol gespeeld bij de totstandkoming van Het Ik is een Ding. Sartre is – zo kan wel worden gesteld – meegegaan in de filosofie van de vroege Husserl. Deze Duitse filosoof bouwt namelijk in zijn Logische Untersuchungen en ook in zijn Cartesianische Meditationen voort op de filosofie van Descartes, maar radicaliseert deze filosofie ook.[3] Bij Husserld wordt het methodische twijfel van Descartes verder doorgevoerd en geradicaliseerd tot een binnen haken zetten (èpochè) van de werkelijkheid. Dit is wat Husserl beschrijft als een fenomenologische reductie. Er is wel sprake van een cogito, niet van een sum. Dus er is wel sprake van twijfel c.q denken, maar geen sprake van een zijn. Hier komt bij Husserl het transcendentale ego naar voren. Husserl gaat hierin zover dat het ‘ik’ in deze werkelijkheid volledig verdwijnt, zowel in fysieke als in psychologische zin.[4] Husserl laat dus het twijfelen als activiteit bestaan, maar trekt het ‘ik’ hier volledig uit terug. Wat rest is een transcendentaal ik: een ik dat op geen enkele wijze als substantie kan worden gezien. Er is dus niet langer sprake van een ik met fysieke of psychische eigenschappen. Het ik is verworden tot een voor-empirisch bewustzijn. Het ‘ik’ is bij Husserl dus volledig los komen te staan van de alledaagse ervaring. De term transcendentaal ontleent Husserl aan de Duitse filosoof Immanuel Kant. Maar in tegenstelling tot Kant stelt Husserl wel dat het ‘ik’ kan worden ervaren; het is dus geen sec formeel transcendentaal ego.

Een voor Sartre belangrijk deel van de visie van Husserl stoelt erop dat hij stelt dat elke vorm van bewustzijn een bewustzijn van iets is.  Wat hiermee wordt bedoeld is dat elke vorm van een ik die iets doet gericht is op iets anders: als ik haat hem kan alleen bestaan als er sprake is van een hem. Zonder die hem zou haten een volslagen absurde handeling zijn. Dit is wat bekend is komen te staan als de intentionaliteit van het bewustzijn.[5] Er is bij bewustzijn altijd sprake van een intentionaliteit, het bewustzijn is altijd gekoppeld aan iets in de wereld. Zonder die wereld zou het bewustzijn niet kunnen bestaan.

Husserl stelt daarnaast ook dat ‘ik’ pas verschijnt in reflectie, het ‘ik’ is in dit opzicht een gegeven van een fenomeen. Het ik wordt op deze manier een samenhang van ervaringen, het heeft geen ervaringen. Het fenomeen komt tot stand door Erlebnissen zoals kleur en oppervlakte. Dit geheel maakt het fenomeen en door het fenomeen te ervaren kan het ‘ik’ door reflectie verschijnen. Husserl krijgt op deze visie echter veel kritiek van Natrop. Dit brengt Husserl er toe zijn visie op het bewustzijn aan te passen. Hoewel Husserl in eerste instantie stelt dat het ik verschijnt door de reflectie op het fenomeen, stelt hij in zijn Ideeën dat er een ‘ik’ is dat zorgt voor de samenhang. Het ‘ik’ verschijnt hier dan plotseling wel als fenomeen, niet langer als reflectie op een fenomeen.

Fretz stelt in zijn inleiding van Het Ik is een Ding dat Husserl de methodische twijfel van Descartes heeft geradicaliseerd en dat Sartre de visie van Husserl op het transcendentale ego op zijn eigen wijze wederom radicaliseert.[6] Op deze manier kan de visie van Sartre op het zelfbewustzijn worden gezien als het product van een drietrapsraket die begint bij Descartes en via Husserl eindigt bij de visie van Sartre. In het eerste deel van Het Ik is een Ding gaat Sartre te werk aan de hand van een strikt fenomenologisch-transcendentale analyse.[7] In dit deel van zijn werk gaat Sartre diep in op de drie verschillende niveaus van bewustzijn en ook waarom hij stelt dat er na dat derde niveau geen sprake meer kan zijn van reflectie.

Als inleiding op het eerste deel stelt Sartre wat zijn bedoeling is met het eerste deel en tegelijkertijd geeft hij ook al aan welke richting hij op wil gaan:

 

“Wij zouden hier willen laten zien dat het Ego formeel noch materiaal in het bewustzijn is: het is buiten, in de wereld; het is een zijnde van de wereld, zoals het Ego van een ander.”[8]

Sartre begint het eerste deel van Het Ik is een Ding met de constatering dat Kant heeft gesteld dat ‘al onze voorstellingen gepaard moeten kunnen gaan met het Ik Denk’. [9] Sartre analyseert dit als volgt: Kant zegt niet dat het Ik al onze bewustzijnstoestanden bewoont, Kant stelt niet voor niets dat het gepaard moet kunnen gaan, hierbij wordt dus niet gesteld dat daar te allen tijde sprake van is. Kant stelt dus dat er een mogelijkheidsvoorwaarde is van een Ik Denk. Sartre heeft kritiek op wat hij noemt de ‘gevaarlijke neiging van de hedendaagse filosofie’ om van mogelijkheidsvoorwaarden feiten te maken. [10] Sartre gaat verder in op de visie van Kant en stelt hierbij vast dat alle voorstellingen gepaard zouden moeten kunne gaan met ene Ik Denk, maar de vraag die Sartre terecht stelt: is dit ook wel feitelijk zo?

In de weg die Sartre aflegt komt hij via de neo-kantianen terecht bij de fenomenologie en daarmee terecht bij Husserl. Allereerst zet de Franse filosoof uiteen wat fenomenologie feitelijk is:

 

“Fenomenologie is een wetenschappelijke en geen kritische bestudering van het bewustzijn. De essentiële werkwijze ervan is intuïtie. De intuïtie brengt ons, volgens Husserl, in aanraking met het ding.” [11]

 

Sartre gaat verder in op de filosofie van Husserl en het nut ervan. Hij stelt allereerst dat fenomenologie een feitelijke wetenschap is. Het transcendentale bewustzijn van Kant krijgt bij Husserl een nieuwe rol, hij vat het namelijk in de èpochè. Het bewustzijn verandert bij Husserl echter wel in zijn oorsprong: het is niet langer een groep van voorwaarden, het wordt een absoluut feit. Er is sprake van een werkelijk bewustzijn dat voor iedereen toegankelijk is. Sartre volgt Husserld tot op een zekere hoogte. Hij stelt ook dat er sprake is van een transcendentaal bewustzijn dat wordt gezien als iets dat bezig is de wereld om zich heen te constitueren. Het wordt opgesloten in een empirische bewustzijn. Sartre is het ook met Husserl eens dat het psychisch en psycho-fysisch mij een transcendent object is dat valt binnen het tussen haken zetten, de èpochè. Toch stelt Sartre vragen bij de visie van Husserl op het zelfbewustzijn:

“Maar wij stellen de volgende vraag: is dat psychische en psycho-fysische niet voldoende? Moet met het dubbelen met een transcendentaal Ik ,structuur van het absolute bewustzijn?” [12]

Mocht dit ontkennend worden beantwoord  dan heeft dat volgens Sartre een aantal gevolgen: het transcendentale veld wordt onpersoonlijk, het is zonder ik. Daarnaast verschijnt het Ik in eerste instantie op het eerste vlak van de mensheid, er is dan alleen maar zicht op de actieve kant van het ik. Het brengt ook met zich mee dat al onze voorstellingen gepaard kunnen gaan met een Ik Denk, hierin zie je de visie van Kant weer terug waar Sartre zijn Het Ik is een Ding begon, als laatste stelt Sartre de vraag of het bewustzijn noodzakelijkerwijs gepaard gaat met persoonlijkheid. [13]

Na het beeld te hebben geschetst wat er zou spelen als er sprake was van een transcendentaal ik gaat Sartre in op de vroege en latere Husserl. De eerste is van mening dat ‘het Mij een synthetische en transcendent voortbrengsel was van het bewustzijn.’[14] Hier stelt Husserl – in zijn Logische Untersuchungen – dat er sprake is van een onpersoonlijk ik, dat zich buiten het bewustzijn bevindt. Hij komt hier laten in zijn Ideeen op terug en valt terug op de klassieke visie waar er sprake is van een transcendentaal ik. Dit transcendentale ik is – in tegenstelling tot het transcendente ik – onderdeel van het bewustzijn, het staat er dus niet buiten.

Sartre besluit in te gaan op de rechtvaardiging van het transcendentale ik. Algemeen wordt aangenomen dat het gerechtvaardigd is door de vraag van de mens naar een eenheid die het bewustzijn vormt en daarnaast het ene individu onderscheid van het andere. Sartre bestrijdt dat er een bepaalde noodzaak is om een eenheid te creëren die een Ik zou vormen. Want, zo brengt hij naar voren, binnen de fenomenologie komt het bewustzijn niet tot stand aan de hand van een ik, maar aan de hand van doelgerichtheid. Het Ik verschijnt, omdat het ik in reflectie tot stand komt door zich te richten op een fenomeen. Het bewustzijn transcendeert zichzelf.[15]  Hier gaat Sartre verder opin. Hij stelt vast dat Husserl eigenlijk geen toevlucht zou moeten zoeken tot een transcendentaal ik, want in de lijn van zijn eigen filosofie komt het ik tot stand door reflectie, Sartre beschrijft het als volgt:

“Het object is transcendent aan de bewustzijnen die het vatten en het is in dat object dat hun eenheid gevonden wordt.” [16]

Over de rol van individualiteit binnen de filosofie over het bewustzijn heeft Sartre het in het verlengde bij de bespreking van de visie van Husserl. De individualiteit van het bewustzijn zit al in het bewustzijn: ‘het bewustzijn kan slechts door zichzelf worden begrensd.’[17] Sartre stelt daarnaast ook vast dat het Ik slechts een uitdrukking is van de bewustzijnen. In het verlengde hiervan stelt Sartre:

“De fenomenologische opvatting van het bewustzijn maakt de één makende en individualiserende rol van het Ik totaal nutteloos. (…) Het transcendentale Ik heeft dus geen reden van bestaan.” [18]

Sartre gaat hier nog veel verder. Hij stelt namelijk dat het transcendentale Ik zeer schadelijk is, omdat het een scheiding zou betekenen tussen het ik en het bewustzijn die tot gevolg zou hebben dat het bewustzijn dood zou zijn.[19] Hij beargumenteert het als volgt: het bestaan van bewustzijn staat buiten kijf en is onafhankelijk van tijd en ruimte: het bestaat als reflectie op zichzelf. Het bewustzijn wordt zich slechts van zichzelf bewust als er sprake is van een bewustzijn van een transcendent object. Dit bewustzijn is niet-positioneel. [20] Sartre stelt dat het object van het bewustzijn buiten het bewustzijn ligt en dat het bewustzijn dat object vat. Door de gerichtheid op het object komt het eerste bewustzijn dat dus niet-positioneel is tot stand. Het niet-positionele van dit bewustzijn komt tot stand omdat het bewustzijn van de eerste graad niets anders is dan een houding die tot stand wordt gebracht door een object. Er is dus in dit eerste bewustzijn nog geen sprake van materialiteit. Omdat het bewustzijn tot stand komt door de gerichtheid op een object is er op geen enkele wijze sprake van één bewustzijn en kan er logischerwijs geen sprake zijn van een Ik. In dit eerste bewustzijn is er dus sprake van een boom, die boom wordt gevat. Dit vatten wordt gedaan door diverse bewustzijnen en binnen een eenheid van tijd. De eenheid van tijd en de eenheid die de boom tot stand brengt bij de bewustzijnen vormen het eerste niet-positionele niveau van bewustzijn.

Sartre stelt dat er naast het bewustzijn op het eerste niveau er ook een bewustzijn is op een tweede niveau. Dit bewustzijn is niet als het eerste bewustzijn niet-positioneel. Het is echter het bewustzijn van het eerste bewustzijn. Het bewustzijn van de tweede graad komt slechts tot stand door herinnering en reflectie. Door de reflectie ontstaat er ‘ik’ in het eerste bewustzijn. Bij het bewustzijn van d eerste graad is er sprake van vrijheid: het bewustzijn is vrij om zich te richten op het ene of het andere object. Bij reflectie richt het tweede bewustzijn zich op het eerste bewustzijn en is het tweede bewustzijn dus niet langer vrij. Doordat het tweede bewustzijn zich realiseert dat er niet langer sprake is van vrijheid komt het Ik tevoorschijn. Dit ik is echter geen denkend ik, het is een ik dat wordt gedacht: een gedacht ik. Wat Sartre stelt is dat het bewustzijn van de tweede graad een bewustzijn is dat als object het bewustzijn van de eerste graad neemt. [21] In de bespreking van dit tweede bewustzijn onderschrijft Sartre net als Husserl dat de basis van de fenomenologie overeind blijft: ‘elk bewustzijn is een bewustzijn van iets’.[22] Belangrijk is dat Sartre stelt dat ook het tweede bewustzijn een niet-positioneel bewustzijn is. Sartre verwoordt het als volgt:

“Voor zover mijn doordenkend bewustzijn bewustzijn van zichzelf is, is het niet-positioneel bewustzijn. Het wordt slechts positioneel door zich te richten op het doordachte bewustzijn dat, zelf, geen positioneel bewustzijn van zichzelf was voordat het doordacht werd. Zo is het bewustzijn dat zegt “Ik denk” niet precies het bewustzijn dat denkt.” [23]

Sartre neemt in dit deel van Het Ik is een Ding afstand van de klassieke visie op de reflectietheorie. Deze theorie gaat uit van een soort Droste-effect op het gebied van de reflectie: de reflectie gaat tot in het oneindige door. Sartre stelt dat deze conclusie onjuist is. In Het Ik is een Ding beschrijft hij het als volgt:

“Er is hier overigens geen sprake van een eindeloze herhaling [regressus ad infinitum] aangezien een bewustzijn geenszins een doordenkend bewustzijn nodig heeft om zich bewust te zijn van zichzelf.” [24]

De vraag die Sartre na deze constatering stelt is of het juist niet via de reflectie is dat een Ik weet te vormen in het doordachte bewustzijn. Als dit zo zou zijn zou er een verklaring zijn voor het Ik dat bij intuïtie weet te verschijnen. Deze Ik moet worden verklaard, aangezien er een Ik verschijnt bij het doordenken van het ondoordachte. Hier haalt Sartre opnieuw Husserl aan die als eerste heeft erkend dat er sprake is van een grote verandering als een ondoordachte gedachte doordacht wordt.[25] Als een ondoordachte gedachte doorgedacht wordt verschijnt de Ik. Door de reflectie verschijnt de Ik, het gedachte Ik. Sartre haalt hier een voorbeeld aan. Op het moment dat ik een boek aan het lezen ben, ben ik mij niet constant bewust van het feit dat ik lees: ik denk niet constant ‘ik lees …’. Tijdens het lezen is er echter wel bewustzijn, dit bewustzijn richt zich op het boek dat ik lees. En er is in zekere zin sprake van een bewustzijn van de romanpersonages. Desalniettemin is er geen moment waar het Ik zich mengt in dat bewustzijn. Kortom: er is sprake van bewustzijn, een bewustzijn dat niet-positioneel is en dat zich richt op het object.

Op het moment dat er sprake is van reflexieve herinneringen verschijnt er dus een Ik. Deze Ik blijft volgens Sartre echter wel verdacht, aangezien het enerzijds om een herinnering gaat en anderzijds er sprake is van een reflectie waardoor het spontane bewustzijn aan verandering onderhevig is. Na deze constatering zet Sartre het volgende uiteen:

“Aangezien dus niet alle niet-reflexieve herinneringen aan ondoordacht bewustzijn mij een bewustzijn zonder mij te zien geven, aangezien anderzijds theoretische overwegingen die gebaseerd zijn op de essentie-intuïtie van het bewustzijn, ons ertoe gedwongen hebben om te erkennen dat het Ik geen deel kon uitmaken van de interne structuur der “Erlebnisse”, moeten we dus besluiten: er is geen Ik op het ondoordachte vlak.”  [26]

Hier sluit Sartre dus uit dat er sprake is van een Ik op het ondoordachte vlak. In het geval van intuïtie kan er dus geen sprake zijn van een Ik in het bewustzijn. Er is geen Ik die aan het rennen is om een tram te halen, die Ik komt pas tot stand op het moment dat er wordt gereflecteerd op hetgeen dat zojuist heeft plaatsgevonden. Wat is er dan wel op het moment dat er sprake is van rennen naar de tram? Er is een bewustzijn van het rennen naar de tram en er is een niet-positioneel bewustzijn van het bewustzijn. [27] Het bewustzijn wordt in deze gevallen dus tot stand gebracht door de voorwerpen die voor ons verschijnen, dat construeert ons bewustzijn. Het is dus de materialiteit die op dit niveau het bewustzijn tot stand brengt. Het bewustzijn kent op dit niveau geen ruimte voor een Ik.

De vraag blijft dat echter waar het Ik wel is en waar het wel verschijnt. Volgens Sartre is het Ik niet iets van het moment, het is iets dat over de tijd heen regeert en bestaat buiten een moment om. Het is niet afhankelijk van een type bewustzijn, het hangt boven alle diverse bewustzijnen. Het Ik denk bevat een Ik dat zichzelf als transcendent bevestigt. Dit komt volgens Sartre tot stand omdat het Ik in het geheel verschilt van het transcendentale bewustzijn.[28]

Als het ik verschijnt is het zeer opmerkelijk dat het niet verschijnt als een product van reflectie van het doordachte bewustzijn. Het Ik verschijnt aan ons door zich te tonen door het doordachte bewustzijn heen. Hierdoor is er nog steeds sprake van een niet-positioneel bewustzijn, waarbij er wel een ik verschijnt. Hier komt Sartre ook tot de conclusie dat het Ik geen deel kan uitmaken van het bewustzijn, aangezien er dan sprake zou zijn van een tweetal Ikken: het Ik van het reflexieve bewustzijn en het Ik van het doordachte bewustzijn.[29] Het bestaan van twee Ikken is voor Sartre onmogelijk, omdat er nooit sprake mag zijn van communicatie tussen Ikken.[30]  Bij de analyse van het reflexieve bewustzijn komt Sartre tot een aantal conclusies: Het Ik is een type van concreet bestaan, het toont zich als transcendent, daarnaast concludeert Sartre dat het ik zich toont als een bijzondere vorm van intuïtie. Van groot belang is ook de conclusie dat het Ik het product is van een reflexieve daad. Zonder  reflectie zou er op geen enkel moment sprake kunnen zijn van een Ik dat verschijnt. Volgens Sartre is er sprake van ‘een ondoordachte daad van reflectie zonder Ik die zich richt op doordacht bewustzijn.’[31]  Een laatste conclusie die Sartre trekt is dat het transcendente ik binnen de herleiding van de fenomenologie moet vallen. Hij stelt dat er nooit sprake is van een Ik dat zich bewust is van iets, maar dat er een bewust is van iets.

De derde paragraaf van het eerste deel van Het Ik is een Ding handelt over de mogelijke materiële aanwezigheid van een Ik. In het voorgaande is al aangetoond dat er nooit sprake kan zijn van een Ik dat onderdeel uitmaakt van het bewustzijn. Sartre haalt in dit verband La Rouchefoucauld aan die als eerste aandacht heeft besteed aan het onbewuste. Het schuilgaan van eigenliefde.[32]  Sartre valt hier ook de psychologen aan, die volgens hem een volkomen fout zitten. Aangezien zij de tweeledigheid van bewustzijnen niet onderschrijven. Hoewel er volgens Sartre bij ondoordachte bewustzijnen geen noodzaak is om het te herleiden tot reflectie is dat juist wat veel psychologen doen. Zij vatten het ondoordachte bewustzijn in een verkeerd kader. Men onderschrijft niet de mogelijkheid van een onbewust dat handelt. Sartre noemt het voorbeeld van iemand te hulp schieten. Op het moment dat ik iemand te hulp schiet ligt de noodzaak om te hulp geschoten te worden in de persoon die te hulp geschoten moet worden, dat ligt niet in mij. Het is een kracht die vanuit de persoon die te hulp geschoten moet worden die op het Ik dat handelt inwerkt. Er is hier sprake van een onpersoonlijk bewustzijn, aangezien ik handel voor Piet, niet om mijzelf. Dit geheel speelt zich af op het ondoordachte vlak. Er wordt gesteld dat de handeling die gedaan wordt bedoeld is om de onplezierige toestand te doen veranderen. Dit zou schuilgaan in het onbewuste. Het inzien van de onplezierige toestand is een intuïtie, die pas begrepen kan worden aan de hand van reflectie. Er is sprake van een bewustzijn van het onplezierige, dit bewustzijn is onpersoonlijk: het richt zich immers op de ontstane onplezierige situatie, er is geen Ik. Het is pure noodzaak dat er bij deze vorm van bewustzijn op een gegeven moment sprake is van een reflectie. Zonder die reflectie zou er geen uitweg zijn uit het onpersoonlijke bewustzijn.

Sartre tackelt deze hele visie als absurd. Aangezien men ook stelt dat het doordachte voorrang zou hebben op het ondoordacht. Dit ontkent Sartre ter stelligste: hoe kan iets dat ondoordacht langer nodig hebben om in het bewustzijn op te komen dan iets dat doordacht is. Sartre stelt het als volgt:

“Maar zelfs dan heeft het ondoordachte ontologisch voorrang op het doordachte, omdat het om te bestaan geenszins behoeft te worden doordacht en omdat de reflectie de tussenkomst veronderstelt van een bewustzijn van de tweede graad.”[33]

De conclusie die Sartre naar aanleiding van het bovenstaande trekt is als volgt: ‘het ondoordachte bewustzijn moet als zelfstandig worden beschouwd.’[34]

Samenvattend stelt Sartre dat er drie lagen van bewustzijn zijn. Het eerste en tweede zijn niet-positioneel, het laatste is positioneel. Het eerste niveau van bewustzijn is een ondoordacht en niet-reflexief bewustzijn, er is wel sprake van een zelfbewustzijn, maar niet van een Ik. De tweede graad is een doordenkend en reflexief bewustzijn, het is een doordenkend bewustzijn van een ondoordacht bewustzijn. Hier is er dus sprake van een gedacht ik, geen denkend ik. Het derde niveau is positioneel en  een doordenkend bewustzijn van een doordenkend bewustzijn. Volgens Sartre is deze laatste stap het einde en is er dus geen sprake van een Droste-effect met betrekking tot de reflecties. Hij beargumenteert dit met de visie dat het positionele bewustzijn geen bewustzijn meer nodig heeft om zich van zichzelf bewust te zijn.  Er is dus een grens, een grens die door de klassieke reflectietheorieën ontkent wordt. Op dit punt neemt Sartre dus overduidelijk afstand van de klassieke reflectietheorie zoals die ook door Husserl wordt aangehangen.

Om zelf een oordeel te hebben over de visie van Sartre is het eigenlijk noodzakelijk om zowel de theorie van Descartes en de visie van Husserl volledig te kennen. Zeker omdat de filosofie van Sartre begint bij de filosofie van Descartes, vooral bij diens methodische twijfel. Daarnaast radicaliseert Sartre de visie van Husserl. Het is dus om een volledig begrip en beeld te krijgen van Sartres visie niet voldoende om alleen zijn Het Ik is een Ding te bestuderen. Het is mijns inziens noodzakelijk om kennis te nemen van de studies van Husserl, aangezien Sartre de vroege Husserl volgt en de late Husserl in twijfel trekt. Toch zal ik, mede op basis van het de inleiding van Fretz en de colleges over Descartes en Husserl proberen mijn visie op de filosofie van Sartre zou goed mogelijk naar voren te brengen, hierbij rekening houdend met de achtergrond van Husserl en Descartes. H

Allereerst is het bijzonder opvallend dat Sartre zijn eigen filosofie terugvindt of stoelt op de Logische Untersuchungen van Husserl. In deze studie plaatst Husserl het ik buiten het bewustzijn, iets dat Sartre zeer aanspreekt. Husserl komt hier echter in zijn latere studies op terug en plaatst het ik dan weer achter het bewustzijn, maar wel als onderdeel van dat bewustzijn. De argumentatie van Sartre om het ik niet langer te zien als onderdeel van het bewustzijn kan ik volgen, maar ik weet niet of ik ze volledig onderschrijf. Het ik speelt mijns inziens een te prominente rol in onze waarnemingen en ervaringen dat ik niet met zekerheid durft te stellen dat het ik geen onderdeel meer uitmaakt van het bewustzijn. Toch is de argumentatie van Sartre, dat de eenheid die het bewustzijn nodig heeft niet noodzakelijk afkomstig is van het ik, wel het overdenken waard. Want het is buitengewoon legitiem de vraag te stellen of het Ik inderdaad überhaupt wel een rol speelt in de eenheid van het bewustzijn. Sartre plaatst hier tegenover dat het bewustzijn eenheid krijgt door het voor het bewustzijn verschijnende object. Dat object zorgt volgens Sartre voor de eenheid, een fenomenologisch gezien goed argument.

Ik moet erkennen dat het lastig is om afstand te doen van de prominente rol die het ik speelt in het dagelijks leven. Alles wat iemand doet, wordt gedaan door een ik. Ik lees, ik zie, ik voel en ik praat. Tegelijkertijd is juist die handeling afhankelijk van een object: je kan niet lezen zonder een tekst, je kan niet voelen zonder een materialiteit. Dus in dat opzicht pleit het voor Sartre dat hij stelt dat de eenheid van het bewustzijn niet afhankelijk is van het ik, maar veel meer afhankelijk is van het object dat voor het bewustzijn verschijnt. Terwijl ik bezig was met deze tekst heb ik met de filosofie van Sartre onder de hand op een heel andere wijze bepaalde zaken ervaren en heb proberen te achterhalen in hoeverre het Ik een rol speelt in bijvoorbeeld intuïtieve handelingen. En hoewel ik slechts zelden met zevenmijlslaarzen richting een bus stap, heb ik het afgelopen week ervaren en kennis genomen van het feit dat in de haast de bus te halen er in mijn bewustzijn geen ik meer was die trachtte de bus te halen. De focus van het bewustzijn ligt volledig op het object, niet op het individu of het Ik.

Na lang overpeinzen denk ik dat de filosofie van Sartre voor mij het dichtst tegen de waarheid aanschuurt van alle in de colleges besproken visies op het zelfbewustzijn. Het is voor mij echter niet sluitend. Want hoewel Sartre het Ik volledig buiten het bewustzijn plaatst, speelt het Ik in zijn visie op het bewustzijn nog steeds een heel prominente rol. Dat het Ik geen onderdeel uitmaakt van het bewustzijn durf ik wel te onderschrijven, maar welke rol er dan nog wel is voor het ik en hoe deze moet worden ingepast in de filosofie van het zelfbewustzijn durf ik niet te zeggen. Want een bewustzijn dat volledig losstaat van het ik heeft mijns inziens geen bestaansrecht. Linksom of rechtsom het ik komt altijd weer tevoorschijn en speelt altijd een rol in het handelen van de mens. Dat handelen gebeurt deels op basis van het bewustzijn. En of het ik verschijnt voor het bewustzijn op het moment van handelen of dat de handeling wordt ingezet op basis van een ik in het bewustzijn is voor mij moeilijk te bepalen.

Tot slot is het van belang op te merken dat bovenstaande visie nog voortdurend aan verandering onderhevig is. Na het lezen van bijvoorbeeld de studies van Husserl kan het radicaal worden gewijzigd, omdat ik tot nu toe te weinig kennis heb kunnen nemen van de argumentatie van Husserl in zijn  Ideeen, waarin hij afstand neemt van het plaatsten van het ik buiten het bewustzijn. Mijn visie ligt dus nog niet vast en als de tijd ervoor is zal ik mij verder verdiepen in de argumentatie van Husserl en zoeken naar mijn definitieve visie op het wezen van het zelfbewustzijn. Tot die tijd geef ik Sartres visie zoals die staat verwoord in Het Ik is een Ding het voordeel van de twijfel.

Bibliografie

Sartre 1978

Sartre, J.P., Het Ik is een Ding. Schets ener fenomenologische beschrijving, Meppel: Boom 1978. Vertalingen L. Fretz en F. Montens

[1] Sartre 1978, p. 8

[2] Sartre 1978, p. 9-10

[3] Sartre 1978, p. 10

[4] Sartre 1978, p. 10

[5] Sartre 1978, p. 11

[6] Sartre 1978, p. 14

[7] Sartre 1978, p. 13

[8] Sartre 1978, p. 41

[9] Sartre 1978, p. 41

[10] Sartre 1879, p. 42

[11] Sartre 1978, p. 44

[12] Sartre 1978, p. 45

[13] Sartre 1978, p. 44

[14] Sartre 1978, p. 45

[15] Sartre 1978, p. 46

[16] Sartre 1978, p. 47

[17] Sartre 1978, p. 47

[18] Sartre 1978, p. 47-48

[19] Sartre 1978, p. 48

[20] Sartre 1978, p. 48

[21] Sartre 1978, p. 51

[22] Sartre 1978, p. 51

[23] Sartre 1978, p. 51

[24] Sartre 1978, p. 51

[25] Sartre 1978, p. 52

[26] Sartre 1978, p. 54

[27] Sartre 1978, p. 54

[28] Sartre 1978, p. 56

[29] Sartre 1978, p. 56

[30] Sartre 1978, p. 57

[31] Sartre 1978, p. 57

[32] Sartre 1978, p. 59

[33] Sartre 1978, p. 61

[34] Sartre 1978, p. 61