Cort van der Linden en Rutte

(geschreven na de regeringsverklaring van het eerste kabinet Rutte, vwo 6)

In de regeringsverklaring van afgelopen dinsdag (26 oktober ’10) vergeleek premier Rutte zijn eigen premierschap met dat van zijn liberale voorvader Pieter Cort van der Linden. Met enige politiek- historische interesse heb ik hier naar geluisterd en ben daarna even in de boeken gedoken. Na al de door Rutte getrokken parallellen en vergelijkingen moest ik er toch even wat dieper in duiken.

Wat nu volgt is een overzicht van het premierschap van P.W.A. Cort van der Linden. Te beginnen met een aantal feiten:
a. Het kabinet werd geïnstalleerd op 29 augustus 1913 en werd demissionair op 2 juli 1918.
b. Het kabinet bestond voornamelijk uit lieden die zich zelden of nooit publiekelijk uitlieten over de politiek
c. De zetelverdeling van de Tweede Kamer na de verkiezingen van 1913 zag er als volgt uit:

Katholieken/AB/RKSP                                              25
ARP                                                                                 11
CHU                                                                                9
Vrije Liberalen                                                             10
Liberale Unie                                                                19
VDB                                                                                7
SDAP                                                                              18
Onafhankelijk                                                               1

De voorganger van Cort van der Linden als premier van Nederland was Theo Heemskerk. Hij was leider van een confessioneel kabinet. Leuk weetje over deze premier, hij was de zoon van een van de laatste conservatieven uit ons parlement J. Heemskerk Azn.
Voor de verkiezingen van 1913 besloten de liberale fracties samen te gaan werken. De Vrije Liberalen, de Liberale Unie en de Vrijzinnig-Democratische Bond. Gedrieën gingen zij voor een meerderheid in de Tweede Kamer. Dit, zoals te zien in het bovenstaande rijtje, is niet gelukt. Het leek op een patstelling, want er bleek geen meerderheid voor de liberalen en evenmin een meerderheid voor de confessionelen. Wat dat aangaat was de uitslag toen net zo onmogelijk als de uitslag van 9 juni 2010.
Om toch tot een meerderheid te komen trachtten de drie liberale partijen de SDAP onderdeel uit te laten maken van het nieuwe kabinet. Informateur Bos gaf Troelstra, leider van de sociaal-democraten, de mogelijkheid om met drie ministers toe te treden tot het kabinet. Na enig overleg binnen de partij zag Troelstra zich genoodzaakt om het aanbod van de informateur af te wijzen.

Na deze afwijzing werd er een kabinet geformeerd dat formeel volledig bestond uit lieden die geen binding hadden met welke politieke stroming dan ook. De facto bestond het kabinet uit louter liberalen en vrijzinnig-democraten. Leider van dit extra-parlementair kabinet was de jurist en hoogleraar P.W.A. (Pieter) Cort van der Linden. Hij was op dat moment lid van de Raad van State en had in het kabinet-Pierson(1897-1901) zitting genomen als minister van Justitie.

In normale omstandigheden had dit kabinet het misschien niet lang volgehouden, maar binnen een jaar brak de Eerste Wereldoorlog uit. Alle partijen waren het erover eens dat in deze omstandigheden geen regering ten val moest worden gebracht en in het algemeen naar binnenlandse verzoening gestreefd moest worden.’*
Het kabinet-Cort van der Linden bleef dus intact en kreeg zodoende de kans om een aantal zaken op te lossen. Het doel van dit kabinet was om de grondwet op twee historisch zeer beladen punten te wijzigen:
1. Algemeen mannenkiesrecht (wens van socialisten en liberalen)
de premier was niet van plan ook direct het algemeen vrouwenkiesrecht in te voeren, dit vooral omdat hier nog voor onenigheid over bestond. Wel zorgde hij ervoor dat vrouwen vanaf dat moment gekozen konden worden. Daarnaast, en dat kwam vooral van de premier zelf, wijzigde de grondwetsherziening het kiesstelsel. Er werd afscheid genomen van het districtenstelsel en de evenredige vertegenwoordiging werd ingevoerd. Het invoeren van de evenredige vertegenwoordiging had nogal wat gevolgen. Er ontstonden landelijke kieslijsten, dus er was één partijleider waar het om ging, niet langer om de afgevaardigden per district. En doordat het hele kiesstelsel los kwam te staan van de districten werd het partijbestuur machtiger.

  1. Financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs (wens van de confessionelen)Deze beide wijzigingen zouden, naar overtuiging van dit kabinet, de verdeeldheid binnen het volk voor het grootste gedeelte doen laten verdwijnen. Het laat onverlet dat ze desastreus zouden uitwerken voor de liberalen. Zij hadden geen baat bij het invoeren van het algemeen kiesrecht, noch bij het invoeren van financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs.

Zoals historicus Henk te Velde het schrijft:
Cort van der Linden was de executeur-testamentair van het negentiende-eeuwse liberalisme.’*

De grondwetswijziging betreffende het algemeen kiesrecht bleek de doodsteek voor de liberalen. De socialisten zagen de grondwetswijziging als hun weg naar de grote overwinning, maar dat viel tegen. Ze wonnen wel, maar mondjesmaat. Dé grote winnaar van de grondwetswijziging van 1917 is het confessionalisme. En in het bijzonder de katholieken, zij groeiden met forse stappen. Dit leidde ertoe dat in 1918, na de regering van Pieter Cort van der Linden, jhr. Mr. Ch. J. M. Ruys de Beerenbrouck de eerste katholieke premier werd van Nederland.

 

Citaten zijn afkomstig uit het boek Land van kleine gebaren, een politieke geschiedenis van Nederland 1780-1990. geschreven door R. Aerts, H. de Liagre Böhl, P. de Rooy en H. te Velde.
Eerste citaat afkomstig van pagina 170, tweede citaat afkomstig van pagina 171