welkom op niekwind.nl

Friedrich Nietzsche, een filosoof voor allen en voor niemand

 ‘Ik duik nog even in de biografie van Nietzsche,’ roep ik wandelend naar mijn bureau. Verschrikt kijkt de kat, die luistert naar de naam van de Duitse denker, op. Een aai over haar bol helpt om haar weer rustig te laten liggen. Dan schuif ik aan en sla het boek open. Ik kan me niet heugen dat ik ooit zo fanatiek en met vlagen van bewondering een biografie gelezen heb. Terwijl ik in de afgelopen jaren toch menige biografie heb mogen lezen en daar zeker mooie werken tussen zaten. 

Een nieuw secundair werk over het leven en werk van de belangrijkste Duitse filosoof van de negentiende eeuw. Alweer een boek over Friedrich Nietzsche. Alweer een boek dat probeert zijn leven en werk met elkaar in balans te brengen en te duiden. Ik ben dynamiet. Het leven van Friedrich Nietzsche is in dat opzicht de zoveelste loot aan eenzelfde boom. Sue Prideaux heeft het aangedurfd om een nieuw boek te schrijven over een controversieel en makkelijk mis te verstaan denker. 

Van jongs af aan een buitenbeentje

Op 15 oktober 1844 wordt Friedrich Wilhelm Nietzsche geboren. Zoon van de Lutherse dominee van Röcken, vernoemd naar de Pruisische koning die door vaders zo bewonderd werd. Fritz, zoals hij thuis genoemd wordt, groeit op in een streng christelijk milieu. In zijn jonge jaren wordt hij geconfronteerd met de wreedheden van het leven: zijn vader sterft op jonge leeftijd aan ‘hersenverweking’, niet veel later sterft ook zijn jongere broertje. Uiteindelijk groeit Nietzsche op in een vrouwrijke omgeving. 

Al op de lagere school blinkt Nietzsche uit. Zijn voorkomen valt op: hij kijkt vaak ernstig, is goed ontwikkeld en trekt de aandacht door zijn fascinerende ogen. Gedurende deze jaren heeft Nietzsche al veel aandacht voor het fenomeen van de muziek. Die aandacht voor het muzikale blijft hij zijn hele leven trouw. Door zijn wat ernstige voorkomen en zijn muzikale passie is Nietzsche al vrij snel het buitenbeentje en wordt hij veel gepest. 

Op het gymnasium blijft Nietzsche uitblinken in de vakken die zijn interesse hebben: Hebreeuws, Latijn en Duitse verskunst. Hij besteedt uren aan lezen en krijgt al snel zijn eigen ritme: hij werkt door tot middernacht en staat om 5 uur in de ochtend op om het werk voort te zetten. Hij is 13 als hij naar Pforta mag, een jongensschool gevestigd in een voormalig cisterciënzerklooster. Ook hier gaat zijn aandacht vooral naar muziek en vakken als geschiedenis en de Griekse antieken. Zijn doel op Pforta is helder: hij zal zijn leven wijden aan God en dezelfde route bewandelen als zijn vader. Wel kiest hij, zoals het buitenbeentje betaamt, ook op deze school zijn eigen lijn. Hij leest Hölderlin, een dichter die zijn docenten niet waarderen. Gedurende zijn hele jeugd heeft Nietzsche last van hoofdpijnen en ziet hij niet scherp vanwege zijn slechte ogen. 

Een indrukwekkende student

In lijn met zijn plan op Pforta besluit Nietzsche theologie te gaan studeren in Bonn. Hij zal het later als een verloren jaar beschouwen, aangezien hij tot de ontdekking komt dat zijn focus toch meer ligt bij de klassieke filologie. Nietzsche komt tot de conclusie dat hij onder het juk van zijn conservatieve moeder en dito zus tot dan toe veel te bekrompen heeft geleefd. 

Daarom verhuist hij naar Leipzig, om daar te gaan studeren. Het is in deze periode dat Nietzsche zich verdiept in het werk van Schopenhauer en de muziek van Wagner, twee grootheden die hem in het diepst van zijn wezen weten te inspireren. Hij wordt lid van studentenvereniging Franconia, die ieder jaar naar Keulen reist. Hier doet zich in februari 1865 een voorval voor, dat de discussies onder de Nietzscheaanse interpreten nog steeds doet oplaaien. Veel studenten wilden zich in Keulen te goed doen aan een bezoek aan een van de bordelen. Nietzsche werd, waarschijnlijk door een misverstand met een gids, ook bij zo’n bordeel afgezet. Wat er daar precies gebeurd is, blijft vaag. Zelf geeft hij aan direct naar de piano, ‘het enige met een ziel in de ruimte’, te zijn gelopen, anderen beweren dat Nietzsche hier syfilis op zou hebben opgelopen, die de oorzaak van zijn latere waanzinnigheid zou zijn. 

Tijdens zijn studententijd ontmoet Nietzsche de man voor wiens muziek hij onbegrensd ontzag heeft: Richard Wagner. Tussen de twee ontwikkelt zich een vriendschap, waarin Nietzsche zijn teksten door Wagner laat lezen en Wagner de jonge filosoof virtuoos op zijn piano laat spelen. 

De studie verloopt voorspoedig, zelfs zo voorspoedig dat hem de mogelijkheid wordt geboden om hoogleraar te worden in Bazel. Nietzsche is 24 en verhuist naar Zwitserland, om vanaf dat moment stateloos te zijn, aangezien Bazel van hem eist dat hij zijn Pruisische nationaliteit opgeeft. Hij kwakkelt nog steeds met zijn gezondheid en het professoraat zal hem tegenvallen. Op slechte dagen kan hij zijn eigen aantekeningen amper lezen. 

Zijn bewondering voor Wagner resulteert in een vriendschap die zowel intens als afstandelijk is. Nietzsche kijkt op tegen de man die muziek maakt die er toe doet. Hij ziet het huis van de Wagners als zijn tweede huis, waar hij intellectuele gesprekken kan voeren. De inspiratie van Wagner en de zoektocht naar de klassieke Grieken leidt uiteindelijk tot Nietzsches eerste publicatie Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik. Een boek dat getypeerd kan worden als half filologie en half filosofie. Prideaux geeft een nieuwe lezing: het is een lange zelfmoordbrief van de filoloog.

De reacties waren niet mals, zijn gezondheid verslechterde en zijn carrière als filoloog zag er niet best uit. Nietzsche verlangde meer dan ooit naar de dood. Ondanks dat blijft Nietzsche schrijven aan zijn Oneigentijdse beschouwingen. De vriendschap met Wagner komt op scherp te staan, ze lijken elkaars taal niet meer te spreken. De verwijdering en het betaald verlof, toegekend vanwege zijn slechte gezondheid, waren goede redenen om Zuid-Europa te gaan ontdekken. Tijdens deze reis leert hij Paul Rée kennen, de man die hem inspireert om in aforismen te schrijven. Ook was die vorm pure noodzaak, vanwege zijn slechte ogen. De aforistische stijl brengt meer scherpte in zijn schrijven. Het resulteert in Menselijk, al te menselijk dat Nietzsche vanwege zijn niet al te beste kritieken graag onder een pseudoniem had willen publiceren. Dat weigerde zijn uitgever. 

Een zwervend emeritaat

Het is mei 1879 als Nietzsche besluit zijn professoraat neer te leggen. Hij besluit te gaan wandelen door Zuid-Europa en leidt twee jaar een zwervend bestaan. In Sils-Maria ontstaat een soort nieuw thuis voor de filosoof. In deze periode blijft Nietzsche – wat hij zelf noemt – zijn ‘vervloekte telegramstijl’ hanteren, soms verworden tot vrijwel onleesbare hiërogliefen.

Nietzsche leert via Paul Rée de Russische Lou Salomé kennen. Hoewel de filosoof aanvankelijk heel afstandelijk staat ten aanzien van een ontmoeting, komt het er in april 1882 toch van. Ze zijn erg van elkaar onder de indruk, vooral op intellectueel vlak. Samen met Paul Rée denken ze aan een een ménage a troi. Dat zou er nooit van komen, want in november verlaten Rée en Salomé Nietzsche, om elkaar daarna nooit meer te ontmoeten. 

De breuk zet Nietzsche aan weer te gaan schrijven. Hij start een alchemistische zoektocht, wat resulteert in Aldus sprak Zarathoestra. In feite is het een vervolg op De vrolijke wetenschap, zijn boek waarin hij het nihilisme heeft aangekondigd. Zarathoestra wil het leven, na de dood van God, weer zin geven. De filosoof met de hamer komt dan pas goed los, Nietzsche schrijft steeds feller. De Nietzscheaanse cirkel is rond als in 1888 Afgodenschemering verschijnt, waarna er alleen nog een autobiografische schets Ecce homo volgt. 

Nietzsches gezondheid is steeds verder achteruitgegaan. Hij ziet nog amper iets en met de hoofdpijn valt soms niet te leven. Het is in januari 1889 als Nietzsche in Turijn ter aarde stort. Hij wordt waanzinnig, geestesziek verklaard. Nietzsche schreeuwt en brabbelt, hij heeft last van stuiptrekken en erotische wanen. Terug in Duitsland weten de artsen zijn gezondheidstoestand niet te verbeteren. Intussen krijgt hij – mede dankzij mensen als Salomé en August Strindberg – steeds bredere bekendheid in Europa en worden zijn boeken in grotere oplagen verkocht. Zelf krijgt de bedlegerige filosoof er niets meer van mee. In Weimar wordt hij door een beroerte getroffen, waarna hij op 25 augustus 1900 overlijdt. 

Een nieuw standaardwerk? 

De lijst met secundair werk over het leven en denken van Friedrich Nietzsche is ellenlang. Het aantal lijvige biografieën mag er ook zijn. Toch besloot Sue Prideaux nogmaals in het leven van de grootste Duitse denkers uit de 19e eeuw te duiken. Een filosoof wiens denken niet eenvoudig te duiden is, zijn leven evenmin. 

De filosofie van Nietzsche is na zijn overlijden vooral allerlei doelen gebruikt. Hij wordt gezien als de grote inspiratiebron van de postmoderne denkers, bij wie de waarheid niet langer bestaat, waaronder Michel Foucault en Jacques Derrida. Maar zijn denken werd ook gebruikt als fundament voor Hitlers nationaalsocialisme. Dat laatste vooral door toedoen van zijn zus, die er nogal antisemitische denkbeelden op nahield. Na zijn dood beheerde ze de manuscripten van Nietzsche. 

Met Ik ben dynamiet schrijft Prideaux een standaardwerk dat voor een groot publiek toegankelijk is. Hiermee wordt ook het leven en werk van een belangrijk denker toegankelijk voor een breed scala aan lezers, dat zich juist in deze tijd wat meer zou willen verdiepen in de filosofie. 

Ik ben dynamiet. Het leven van Friedrich Nietzsche
Sue Prideaux
Uitgeverij Arbeiderspers 
ISBN: 9789029523790
Verschenen in december 2018

Oswald Spengler, meer dan de man van dat ene boek

Lang stond hij bekend als de man van dat ene boek. Dat boek was allang vergeten, de man van dat boek ook. Tot vorig jaar oktober de vertaling van Der Untergang des Abendlandes verscheen bij Boom Uitgeverij. Twee kloeke delen, vertaald door Mark Wildschut. Met deze vertaling kwam ook de interesse in de schrijver weer tot leven, ineens was Oswald Spengler (1880-1936) weer in beeld. Opvallend is dat de naam van Spengler in de handboeken cultuurfilosofie en sociale en politieke filosofie schittert door afwezigheid. Wie zocht naar meer informatie over de schrijver, was aangewezen op de extra’s die bij de publicatie van zijn magnum opus werden geboden. Een jaar nadat de vertaling verscheen, komt Boom met een vervolg: Oswald Spengler, een intellectuele biografie. Een boek van de hand van historicus en germanist Frits Boterman. Het is een licht herziene uitgave van het proefschrift dat Boterman in 1992 gepubliceerd heeft. De schrijver stelt zich als doel het hoofdpersonage in een brede historische context te plaatsen. Spengler in het licht van de Duitse cultuur op het breukvlak van de negentiende en twintigste eeuw.



De eenzame jongen

Spengler groeit op in een gezin waar de sfeer het best kan worden gekenschetst als afstandelijk en koud. Zijn ouders hebben een ongelukkig huwelijk, ze leven volledig langs elkaar heen. In dit milieu ontwikkelt Spengler zich als kind. Op de basisschool wordt hij gezien als lichamelijk en geestelijk zwak, hij had al van jongs af aan kenmerken van depressie en isolationisme. Spengler blinkt wel uit op school, een leergierige scholier die boeken verslindt. In dit bedrukkende milieu ligt het fundament voor het voor Spengler zo typerende pessimisme.

Al op zijn zestiende maakte Spengler kennis met een van zijn twee inspiratiebronnen: de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. Hij las diens Aldus sprak Zarathustra en zag daarna een messiaanse rol voor zichzelf weggelegd. Later zou Nietzsche samen met Goethe het intellectuele fundament vormen voor De ondergang van het Avondland. Maar voordat het schrijven van zo’n boek überhaupt speelde in het hoofd van Spengler, ging hij studeren. Hij koos voor de natuurwetenschappen, en verdiepte zich gelijktijdig in de filosofie. In 1904 promoveerde hij op een proefschrift over Heraclitus. Eenmaal afgestudeerd koos Spengler met frisse tegenzin voor een carrière in het onderwijs. Dit viel hem zwaar, maar hij hield vol tot ongeveer 1910. In daar jaar overleed zijn moeder en op grond van diens erfenis vertrok Spengler in 1911 naar München.

De omslag in 1911

Terug in München – hij had er in de eerste jaren van de twintigste eeuw een deel van zijn studie gevolgd – kwam Spengler tot een bittere conclusie. Van de cultureel bloeiende stad die hij kende was betrekkelijk weinig overgebleven. De industrialisatie heeft zijn invloed gehad op de beleving van stad en de kunst. Na deze constatering koos Spengler voor een bewust isolement, om in alle rust en stilte te kunnen werken aan zijn nieuwe taak als Dichter-Denker. Hij wilde geen wetenschap bedrijven, maar poëzie componeren.

In dit kluizenaarschap ligt het begin van De ondergang van het avondland. Door het afbrokkelen van de klassiek-humanistische esthetica in Duitsland en het eveneens afbrokkelen van de sociale positie van de intellectuelen en ambtenaren komt het pessimisme tot uiting in Spenglers denken. Het resultaat is een cultuurpessimistisch hoofdwerk. Geïnspireerd op de methodiek van Goethes morfologie stelt Spengler dat de westerse cultuur in haar laatste fase verkeert. Op grond van een historische analyse beschrijft Spengler cultuur als iets dat aan een levenscyclus doet denken: het wordt geboren, leeft en zal uiteindelijk sterven. De westerse cultuur zit volgens Spengler in de laatste fase van haar “leven”.

Het boek verschijnt na de voor Duitsland dramatisch verlopen Eerste Wereldoorlog. In het kielzog van die verloren oorlog maakte een gevoel van onmacht zich meester van de Duitse samenleving. In deze teneur was Spenglers pessimistische boek een graag gelezen werk, het sloot aan bij een breed ervaren gevoel in Duitsland.

Van cultuurfilosoof naar politiek-ideoloog

Boterman beschrijft de omslag in het denken van Spengler na het publiceren van zijn cultuurfilosofisch hoofdwerk. De cultuurfilosofie maakt na de Eerste Wereldoorlog plaats voor politiek denken. Na de constatering dat de westerse cultuur aan het afbrokkelen is verschuift Spenglers aandacht van Geist naar Macht. Hoe de neergang van de Duitse macht en de Duitse cultuur tegen te gaan? Een ding wist hij vrij zeker: de parlementaire democratie had zijn langste tijd gehad. Politieke macht was volgens Spengler iets voor een kleine elite, zijn politieke denken was op een aristocratische leest gestoeld. Voor specifiek de Duitse samenleving zag hij vanuit zijn conservatieve blik twee gevaren: het liberalisme en het bolsjewisme. Hij ontwikkelde zich in deze periode tot een fervent tegenstander van de Weimarrepubliek.

Met de neergang van de Weimarrepubliek en de gedateerdheid van de parlementaire democratie, zag Spengler voor Duitsland nog maar een optie: een elitaire dictatuur die orde op zaken moest stellen. Een inspirerend voorbeeld voor hem was hierin de fascistische leider in Italië, Mussolini. In Italië had de elite de macht gepakt en orde op zaken gesteld, daar was Duitsland ook aan toe. Hoewel Spengler vaak als de inspirator van de nationaalsocialisten in Duitsland wordt gezien, had hij niks op met hun manier van politiek bedrijven. Aan het regime van de NSDAP was niets elitairs, een democratisch gekozen club zonder aristocratische grondslag. Toch wees Spengler een politieke loopbaan niet af. Maar door deze carrière kwam een dikke streep, nadat Spengler in 1933 een tekst publiceerde die bij de nazi’s verkeert viel. Hij trekt zich terug en sterft in 1936 op een manier die past bij zijn manier van leven: eenzaam en gedesillusioneerd.

Oswald Spengler in breder perspectief

Met zijn dissertatie wilde Boterman achterhalen hoe een studeerkamerfilosoof kon verworden tot een politiek ideoloog. Hij wilde de historische persoon Oswald Spengler in een breder historische perspectief plaatsen en diens betekenis voor de geschiedenis op waarde schatten. Toen Boterman in 1992 schreef over Spengler was hij al bijna vergeten, en waren zijn theorieën allang achterhaald. Boterman kon toen niet bevroeden dat binnen afzienbare tijd Spengler en diens conservatieve politieke ideologie weer hoogtij zou vieren. Zijn dissertatie bevat vrijwel alle elementen die in de jaren die volgden het oeuvre van Boterman zouden vormen: Duitse moderne geschiedenis, cultuur versus macht en de rol van Pruisen in het Duitse Rijk. Het is in wezen de kiem van zijn oeuvre.

Met deze herziene uitgave van zijn proefschrift geeft Boterman de lezer de kans de herboren ster aan het conservatieve firmament beter te leren kennen. Het is een kloeke wetenschappelijke uitgave, voorzien van een uitgebreid notenapparaat. Het is evenzeer een brede kennismaking met Oswald Spengler en het Duitsland van de late jaren van de negentiende en de beginjaren van de twintigste eeuw.

Oswald Spengler. Een intellectuele biografie
Frits Boterman
Boom Uitgeverij
ISBN 9789024420933
Verschenen in mei 2018

Herman de Coninck, zoekende dichter, authentiek journalist

Het zal een dikke twee jaar geleden zijn, dat ik bij mijn vertrouwende antiquariaat Isis in Groningen binnenstap. Toen een zich tweewekelijks herhalend bezoek, elke keer langs dezelfde kasten struinend in de hoop iets moois te ontdekken waar ik twee weken eerder overheen had gekeken. Plots wordt me de vraag gesteld: ‘Ken je de poëzie van Herman de Coninck?’ Een vraag die ik met enige schaamte met nee moet beantwoorden. Het boek met de titel De gedichten komt tevoorschijn, ik blader, kijk, lees. Een willekeurige pagina, een willekeurig gedicht, maar het was meteen raak. Poëzie zoals poëzie hoort te zijn.

Ik hou van jou. Hou jij van wat niet kan.
Hou jij van je capaciteiten, ik van je gebreken.
Jij van je trotst, en ik van hoe de zicht kan breken
In mijn armen. Jij van je moed. Ik van je zwakte nu en dan.

Hou jij van de toekomst. Ik van wat voorbij is gegaan.
Hou jij van de honderd levens die je wilde leven.
Ik hou van dat ene dat is overgebleven
En van hoe je daarom zo ver weg kunt zijn dicht tegen me aan.

Ik hou van wat is. Jij van wat zou.
Hou jij van mij. Ik hou van jou.

Die middag voegde ik De gedichten toe aan mijn poëzieplank. Mijn kennismaking met Herman de Coninck (1944 – 1997) was een feit.
In het najaar van 2017 verscheen van de hand van Thomas Eyskens de biografie Toen met een lijst van nu errond van deze Vlaamse dichter en journalist, 20 jaar na diens plotselinge overlijden.

De jonge dichter/student

Herman de Coninck groeide op in een Vlaams en katholiek milieu. Zowel vader als moeder waren erg gehecht aan de kerk en het kerkelijke leven. De jonge Herman zat op jongensscholen en viel in de omgeving niet op. Hij was het type leerling dat zijn schoolwerk goed deed en uitblonk in het schrijven van opstellen. Tijdens zijn middelbareschooltijd maakte de leerling voor het eerste kennis met literatuur en poëzie. Hij had een keur aan boeken tot zijn beschikking, aangezien de familie De Coninck, na het ontslag van vader als docent, een boekhandel heeft. Rond zijn 15e levensjaar wordt de dichter in De Coninck gewekt. Dit gebeurt mede onder invloed van de Vlaamse dichter Paul Snoek. De jonge Herman weet aan het einde van zijn middelbare school precies wat hij wil studeren: Germaanse filologie.
Als student in Leuven maakt hij voor de tweede keer in zijn leven kennis met meisjes die indruk op hem maken. De eerste was Lutgard, die als winkelmeisje bij de boekwinkel van het gezin hielp. Voor Herman was zij zijn eerste onbereikbare liefde, zijn eigen Laura. Herman maakt ook kennis met het studentenblad Germania. Hierin zal hij zijn eerste gedichten publiceren. Het is in Leuven dat Herman dieper in de wereld van de poëzie duikt, de literatuur en de poëtica. Hij rondt er zijn studie aan de universiteit af met een onderzoek naar de poëziekritiek van Simon Vestdijk, een leermeester in het formuleren van kritieken. Los van alles wat De Coninck heeft gewonnen tijdens zijn studie – aan vriendschappen, liefdeservaringen, kennis – is zijn studentenperiode ook een periode van verlies. Tijdens het laatste jaar van zijn studie overlijdt Hermans vader. In de Leuvense jaren verliest hij tot grote schok van zijn moeder ook nog het geloof.

De docent die eigenlijk dichter was, en journalist

Na zijn studie begint het werkende leven. Hij kiest voor het onderwijs. De Coninck wordt getypeerd als een bevlogen docent, met veel aandacht voor de schoonheid van poëzie. Maar tegelijkertijd is hij een chaoot. De voorbereiding van de lessen sloeg hij regelmatig over en het bijhouden van de administratie was niet zijn sterkste punt. Hoewel het organisatorische deel van het doceren hem niet ligt, geeft hij in een brief aan de schooldirecteur aan na zijn diensttijd graag terug te keren. Een militaire dienst die hem om soortgelijke redenen niet beviel. Herman de Coninck had het niet zo op orde en tucht. Eenmaal terug voor de klas is dat wat hem opbreekt. Hij examineert zelden, heeft zijn administratie niet op orde en ontslag volgt. Gedurende deze periode stuurt Herman poëziemanuscripten naar verschillende uitgevers, maar krijgt vaak nul op rekest.
Om toch in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, gooit hij het over een andere boeg: de journalistiek. De Coninck gaat aan de slag bij het blad Humo. Hier neemt hij, samen met Piet Piryns, interviews af en schrijft literatuurkritieken. Ook hapt uitgeverij Orion eindelijk toe. In 1969 verschijnt de debuutbundel De lenige liefde.

De zoektocht naar de juiste uitgever

Als journalist en dichter maakt De Coninck stappen. Hij leert in een literair café An Somers kennen. Kort nadien gaan ze samen op vakantie. An blijkt na deze zomervakantie zwanger te zijn. Ze besluiten het kind te houden en te trouwen. In juni 1970 wordt Thomas de Coninck geboren. Anderhalf jaar laten slaat het noodlot toe. Herman rijdt samen met An en Thomas naar haar ouders. Onderweg krijgt het gezin een frontale botsing, waarbij An en Thomas uit de auto worden geslingerd. An sterft diezelfde dag, Thomas overleeft, maar is ernstig gewond. Het luidt voor De Coninck een langere poëzieloze periode in.
Na zijn kennismaking met Rutger Kopland pakt Herman zijn pen weer op. Koplands poëzie laat hem inzien dat verdriet en pessimisme ook een troostend karakter kunnen hebben.

Vandaag zag ik een vrouw
afscheid nemen op de trein.
Zij ging naar een ander land
maar ook daar zou zij van hier zijn,
achternabemind door haar man.

Zo hoop ik dat ik mijn dochter,
over vijftig jaar, een vorige eeuw
in kan beminnen, deze,
in deze zinnen.

De Conink ziet weer ruimte voor liefde in zijn leven. In 1974 trouwt hij met Lieve Coppens. Hij hunkert naar een groter publiek en om dat aan te kunnen spreken is het zaak de Nederlandse lezer te bereiken. De Coninck komt tot de conclusie dat hij daarvoor een andere uitgever nodig heeft. De fascinatie voor het literaire blad Tirade brengt hem bij Geert van Oorschot. Bij diens uitgeverij verschijnt Hermans tweede bundel, maar zonder het gewenste effect. De kritieken in de Nederlandse pers waren allesbehalve mals. Ook de tweede bij Van Oorschot gepubliceerde bundel werd in Nederland weinig enthousiast ontvangen.

Een nieuwe uitdaging

De Coninck keert Van Oorschot de rug toe. Met de stap naar uitgeverij Manteau volgt een nieuwe uitdaging. Herman zegt Humo vaarwel en wil aan de slag voor Nieuw Vlaams Tijdschrift. Dit literaire blad verkoopt op dat moment niet best en Herman wil er nieuw leven in blazen. De uitgever besluit het rigoureuzer aan te pakken. Hij ontslaat de voltallige redactie en maakt Herman de Coninck hoofdredacteur van het nieuwe blad Nieuw Wereldtijdschrift. Ondertussen is hij helemaal ondergedompeld in redactievergaderingen, het aanschrijven van auteurs voor teksten en zijn eigen werk. Het gezin begint eronder lijden. Onontkoombaar is de scheiding van Lieve.

In de literaire wereld leert Herman een nieuwe vrouw kennen: schrijfster Kristien Hemmerechts. Met hun relatie staat ook de reizende schrijver in De Coninck op. Samen brengen ze bezoeken aan Australië, de Verenigde Staten, Indonesië en Israël. Hij maakt de overstap naar de Arbeiderspers en brengt daar zijn nieuwe dichtbundels uit. In zijn laatste schrijversjaren raken zowel de uitgeverij als zijn huwelijk in een crisis, maar De Coninck weet beide op te lossen. Tot het noodlot toeslaat en hij op 22 mei 1997 overlijdt in Portugal.

Een veelomvattend boekwerk

Een breed en indrukwekkend oeuvre vraagt om een indrukwekkende en veelomvattende biografie. Eyskens is in deze opdracht geslaagd. Hij weet het soms turbulente leven van een van Vlaanderens grootste dichters van de 20e eeuw in beeld te brengen. Eyskens heeft daarbij constant oog voor de veelzijdigheid van het leven van De Coninck. De schat aan dagboekaantekeningen en overgeleverde brieven weet de biograaf mooi en passend in het verhaal te meten. Zo ontstaat er een beeldend verhaal over een groot dichter. Een biografie die de veelzijdigheid van het hoofdpersonage geen moment uit het oog verliest, maar tegelijkertijd de kleine details evengoed hun plaats geeft. Eyskens heeft 20 jaar na de plotseling dood van Herman de Coninck hem een treffende, meeslepende biografie gegeven.

Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck Biografie
Thomas Eyskens
De Arbeiderspers
ISBN 9789029511407
Verschenen in september 2017

Willem Kloos. Onmatig en soms onmogelijk

‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’ is misschien wel de meest gekende zin uit het oeuvre van Willem Kloos (1859-1938). Hij was de voorman van de Beweging van Tachtig, een vilein criticus en groot dichter. O God, waarom schijnt de zon nog! is een nieuw boek over het leven van Kloos. In dit rijk geïllustreerde werk laten Peter Janzen en Frans Oerlemans het totaalplaatje zien van een van de grote heren uit de Nederlandse letteren. De auteurs – respectievelijk historicus en neerlandicus – promoveerden op het leven en werk van Kloos.

Een ongemakkelijke jeugd

Als Kloos achttien is en in aanmerking komt voor militaire dienst, komt hij tot een schokkende ontdekking. Hij woont dan in Amsterdam met zijn vader, moeder en broer. Tot hij te horen krijgt dat hij is vrijgesteld van militaire dienst, omdat hij de enig wettig zoon is. Kloos ontdekt dat de vrouw die zich zolang hij het kan heugen zich voordeed als zijn moeder, niet zijn biologische moeder is. Ze blijkt kort na Kloos’ geboorte te zijn overleden. Het is een van de wrede gebeurtenissen en revelaties waar de jonge Kloos mee van doen krijgt.

Als hij besluit naar Amsterdam te gaan, om daar letteren te studeren, staat een volgende aangrijpende gebeurtenis al op hem te wachten. Een goede studievriend van Kloos komt op jonge leeftijd om het leven, hoogstwaarschijnlijk door zelfmoord. In dezelfde periode leert Kloos de eveneens jonge dichter Jacques Perk kennen. Beide heren raken geïnspireerd door Duitse en Engelse poëzie en slaan getweeën een vernieuwende poëticale weg in.

Kloos stort zich zonder enige reserve op de vriendschap met Perk. Hij gaat letterlijk helemaal op in deze literaire vriendschap. Kloos was of met Perk of hij was alleen. De twee studenten wisselden hun gedichten met elkaar uit, ter inspiratie en ter beoordeling. De ongeremde hang van Kloos naar Perk leidde tot grote ergernis bij Perk, wiens karakter veel extraverter was. De eenzaamheid waarin Kloos zichzelf stort zonder Perk, is de reden van het einde van de korte, maar hevige vriendschap. Nog geen jaar later overlijdt Jacques Perk op 22-jarige leeftijd.

Wat bleef, waren de nagelaten schriften van Perk. Kloos vond zichzelf de aangewezen man om de redactie van het oeuvre van Perk te voeren. Hij wist dit door gebruik te maken van zijn vriendschap met Carel Vosmaer (1826-1888), medebezorger van het werk van Perk. Nadat de redactie afgerond is, stort Kloos zich op het inleidende stuk op de gedichten van Perk. In Brussel legt de auteur hier de laatste hand aan. Deze inleiding zou later het manifest van de Beweging van Tachtig worden.

Een nieuw geluid

Kloos ontwikkelt zijn scherpe blik op literatuur en in het bijzonder de poëzie tijdens zijn studie. Hij is 23 als zijn eerste kritiek – nog wel onder een pseudoniem – wordt gepubliceerd in De Hollandse Spectator. Het is de start van een roerige periode van een vilein criticus. Kloos schroomt niet tegen heilige huisjes te trappen en moet daardoor ook flinke kritieken incasseren. De dichter stond een nieuwe poëzie voor, een poëzie vol hartstocht en passie. Een poëzie die zich van de conservatieve conventies weinig aan diende te trekken.

Deze nieuwe poëzie en het daaruit voortvloeiende progressieve wereldbeeld kreeg geen gehoor bij de literaire tijdschriften van dat moment. Samen met gelijkgezinden zocht Kloos een podium. Bij afwezigheid van enig ander podium, brengt het de club van Kloos ertoe om zelf een literair tijdschrift op te richten: De Nieuwe Gids. De redactie werd gevormd door onder andere Frederik van Eeden, Frank van der Goes en Albert Verwey. Kloos kreeg binnen de redactie de rol van secretaris toebedeeld.

De Nieuwe Gids kent een rumoerige geschiedenis, tekenend is het grote aantal wisselingen in de redactie die het blad gekend heeft. Tegelijkertijd bleef Kloos het blad zien als zijn geesteskind en deed hij er alles aan om er de controle over te behouden. Het blad loopt als een rode draad door het adolescente en volwassen leven van Kloos. Janzen en Oerlemans hebben daardoor met deze biografie ook een inleidend historisch werk geschreven over het ontstaan en de ontwikkeling van De Nieuwe Gids.

 De worstelingen

Kloos kende los van De Nieuwe Gids twee aspecten die als een rode draad door zijn leven lopen: drank en vriendschap. Hij stond bekend als iemand die fors dronk, hij wist zelfs een groot deel van de erfenis van zijn oudtante te spenderen aan drank. Zijn hang naar de alcohol heeft hem in het sluiten en onderhouden van vriendschappen ernstig dwars gezeten.

Want waar het over Kloos en vriendschap gaat doet zich een bijzonder inzicht voor. De schrijver ging vol overgave en ongeremd voor net gesloten vriendschappen. Maar hij verwachtte van de ander waarschijnlijk eenzelfde onvoorwaardelijke houding jegens die vriendschap. Hij wist de worstelingen om vriendschappen overeind te houden zelden goed te doorstaan. Kenmerkend hiervoor zijn de (literaire) vriendschappen met Jacques Perk en Albert Verwey. Zij konden beide niet omgaan met de volledige toewijding die van Kloos uitging richting hen. Langdurige, hechte vriendschappen met Kloos waren nagenoeg onmogelijk. Maar zijn uniciteit en genialiteit zorgden er wel voor dat de vrienden hem nooit volledig lieten vallen, hij kon op ze terugvallen.

Een helder doel, achteraf

Deze biografie gaat niet uit van of de dichter of de mens achter de dichter, het vangt beide ineen. Dat maakt dat dit boek een passend beeld geeft van de man die de Nederlandse letteren zoveel heeft gegeven. De auteurs stellen ook dat juist dat hun doel is geweest: verder kijken dan de standaardbeelden die bestaan over Kloos. Niet blijven hangen in de dronkaard die hij was, zijn gecompliceerde karakter of zijn onmatigheid. De auteurs willen de ware vernieuwer van de poëzie laten zien, met al zijn genialiteit en zijn zwaktes. Dat hebben ze met verve gedaan. Het is alleen zo jammer dat zij die doelstelling pas in het nawoord optekenen. Het zou de lezer zoveel meer leesplezier geven als bij de inleidende woorden duidelijk zou zijn wat de schrijvers met dit boek willen bewerkstellingen. O God, waarom schynt de zon nog! is een welkome uitbreiding van het secundaire literatuur over de poëzie en het leven van Willem Kloos.

O God, waarom schijnt te zon nog! Willem Kloos 1859-1938
Peter Janzen en Frans Oerlemans
Uitgeverij Vantilt
ISBN 9789460043222
Verschenen in april 2017

Reisverslag van een vriendschap

Op de eerste verdieping aan de Leidsekade zag het grootste deel van zijn oeuvre het levenslicht. Daar, in zijn werkkamer, schreef Harry Mulisch werken als De aanslagDe ontdekking van de hemelen De procedure. De kamer zelf is ontegenzeggelijk Mulischiaans: alles in de kamer verwijst op enigerlei wijze naar het schrijverschap en het oeuvre. De schedel van Zeeger Vermeulen, een replica van de Steen van Rosetta, de werkbibliotheek met veel werken van Nietzsche, Goethe en Thomas Mann, de schetsen van Piranesi en natuurlijk het pijpenrek aan het schrijfbureau.

De schrijver en zijn oeuvre zijn in de kamer alomaanwezig. In Zijn eigen land beschrijft oud-directeur van uitgeverij De Bezige Bij Robbert Ammerlaan de kamer waar Mulisch zijn schrijfwerk verrichtte. Zelf noemt hij het een ‘verslag van een zoektocht door Mulisch’ literair laboratorium en daarmee door zijn leven en werk.’ Ammerlaan was sinds 1999 de directeur van de uitgeverij waar Mulisch vrijwel zijn hele schrijversleven aan verbonden was. In de jaren die volgden raakten de heren bevriend. Een paar jaar voor zijn overlijden spraken Ammerlaan en Mulisch over de wenselijkheid van een biografie en wie in dat geval de biograaf moest zijn. Een aantal weken later begon Mulisch er opnieuw over en zei tegen Ammerlaan: ‘Jij, jij moet het doen.’ Hij heeft die taak op zich genomen.

Mulisch’ privé-domein

Zijn eigen land is niet de Mulisch-biografie waar Ammerlaan aan werkt. Het is een expeditie door de werkkamer, een expeditie die Ammerlaan heeft afgelegd in het kader van het schrijven van de biografie. Het bijzondere van dit boek ligt in het feit dat het speelveld beperkt en rijk tegelijk is. De feitelijke ruimte waarbinnen de reis zich voltrekt is beperkt, maar de vondsten in die beperkte ruimte presenteren een ongekende rijkdom. Uitgangspunt van het boek zijn de in de kamer aanwezig objecten. Aan de hand daarvan loodst Ammerlaan de lezer langs belangrijke momenten en mensen in het leven van Mulisch. De door Mulisch zelf aangewezen biograaf krijgt als eerste toegang tot de notitieboekjes, agenda’s, dagboeken en een verzameling aan Mulisch geschreven brieven. Opvallend is dat uit dit privé-domein duidelijk wordt dat de onkreukbare zekerheid van Mulisch in het openbare leven voor een deel schijn was.  In de periode dat bij Mulisch een maagtumor werd ontdekt schreef hij: ‘Hier klopt iets niet. Ik had dit niet mogen zien. De operatie zou wel eens mis kunnen gaan.’ Het is een beeld dat past bij wat Sander Bax in zijn De Mulisch Mythe uiteenzet, namelijk dat de publieke persoon Mulisch een mythe van zichzelf heeft gecreëerd. Hij is als schrijver meester over zijn leven. Dit wordt versterkt door een brief die Ammerlaan vond, getiteld: Brief aan mijn kind. Later voegt Mulisch hier in potlood aan toe ‘ongeboren’. Het is 1961, Mulisch doet voor Elsevier verslag van het proces tegen Adolf Eichmann. In het kader van nader onderzoek, bezoekt Mulisch samen met zijn zwangere vriendin Ineke Verwayen concentratiekamp Auschwitz. Alvorens huiswaarts te keren brengt het stel een meerdaags bezoek aan Wenen. Hier maken ze een ritje in de botsauto’s. Later concludeert Mulisch dat dit ritje de oorzaak moet zijn van de miskraam. De brief aan zijn ongeboren kind wordt aangevuld met een korte notitie, die als volgt eindigt:

“De zaak 40/61 dus bezegeld door de dood van mijn ongeboren kind. (Zonder Eichmann had het geleefd).”

Aan de hand van aantekeningen geeft Ammerlaan ook een beeld van de plek die Mulisch innam ten aanzien van de (Nederlandse) letteren en zijn eigen reflectie daarop. Zijn moeizame relatie met Gerard Reve – mede ten aanzien van de betekenis van het begrip ironie – is genoegzaam bekend. Dat Mulisch ook niet accordeerde met de andere grote schrijver van na de Tweede Wereldoorlog is misschien minder bekend. Na het overlijden van W.F. Hermans – de eerste van de Grote Drie die overleed -noteert Mulisch:

“Dat hij een geslaagde schrijver is geworden met zijn mislukkingsideologie toont de mislukking van die ideologie aan. Alleen op die paradoxale manier had hij gelijk.”

Autobiografischer zijn ze er niet

De biograaf van Mulisch staat voor een ingewikkelde opdracht. De auteur wist als geen ander zijn eigen leven te verweven met zijn werk. Twee expliciet autobiografische boeken (Voer voor psychologen en Mijn getijdenboek) maken deel uit van een oeuvre dat van alfa tot omega het leven van de schrijver ademt. Ammerlaan komt in dit werk zelden tot schokkende nieuwtjes. De hiervoor genoemde Brief aan mijn ongeboren kind en de mogelijke vondst van de afscheidsbrief die Mulisch schreef toen hij in een vliegtuig met brandende motor zat (volgens Mulisch zelf met potlood geschreven, maar het gevonden exemplaar is met pen geschreven) vormen hierop de uitzondering. Wat hij vooral doet is een verdiepingsslag maken. Hoewel als rode draad door het oeuvre het leven van de schrijver loopt, blijft dit tot op zekere hoogte ook gefictionaliseerd. Waar Sander Bax zich richt op de publieke persoonlijkheid van Mulisch en hoe deze tot op zekere hoogte zichzelf fictionaliseert, is het Ammerlaan die zich verdiept in de persoon Harry Mulisch, de man achter de mythe. Hij brengt ook de voor het grote publiek onbekende kwetsbare kant in beeld.

De werkkamer van Mulisch – ik bezocht die zelf tijdens het eerste Harry Mulisch Festival – is strak geordend. De vele foto’s in het boek van Ammerlaan laten dat zien. Die orde is noodzakelijk bij het schrijven van een zo met elkaar samenhangend oeuvre. Mulisch heeft zijn werkkamer net als zijn oeuvre van een heldere en doordachte compositie voorzien. Sommige objecten in de ruimte vragen direct de aandacht, zoals de schedel van Zeeger Vermeulen. Deze heeft een prominente plek in de schrijverskamer en kreeg binnen het oeuvre een centrale rol in het boek Paralipomena Orphica. De objecten in de kamer zijn verweven met het oeuvre van de schrijver, ze zijn het tastbare bewijs ervan.

Hoewel slechts indirect in de attributen aanwezig, komt in het boek duidelijk naar voren hoe belangrijk vriendschap was voor Mulisch. Hij kende een innige vriendschap met zijn aartsvriend schaker Hein Donner. Die vriendschap bekoelde, nadat Donner tot de kern van Mulisch schrijverschap probeerde door te dringen. Later vormde zich rond Mulisch een hechte vriendengroep, de Herenclub. Een gezelschap van louter heren met verdiensten op het gebied van de kunst, politiek of op een ander maatschappelijk vlak. Ammerlaan verklaart deze behoefte aan vriendschap uit het feit dat Mulisch nooit een gewone band met zijn ouders had en daarom al snel was aangewezen op vrienden.

De grote uitbarsting

Ammerlaan volgt in zijn boek dezelfde route als het oeuvre van Mulisch: richting het eind barst de vulkaan. Die uitbarsting is het schrijven en de publicatie van De ontdekking van de hemel. In dit werk komt alles samen: zijn ouders, zijn liefdes, zijn reportages, zijn vriendschap met Hein Donner, de schetsen van Piranesi, zijn eeuwige fascinatie voor de dood en zijn liefde voor de oude Griekse cultuur. Het is dit boek waar alle lijntjes uit zijn daarvoor gepubliceerde werken en zijn leven bij elkaar komen. Ammerlaan ziet De ontdekking van de hemel als het literaire deel van Mulisch’ autobiografie, De compositie van de wereld vormt het filosofische deel ervan.

Na zijn grootste boek te hebben geschreven en de hemel te hebben ontdekt, restte er nog een ding: het onbegrensde kwaad verklaren. Het is het slotstuk van zijn oeuvre, de roman Siegfried,gepubliceerd in 2001. Deze roman draait om het ontmaskeren van Hitler, de man die hem al zijn hele leven had geobsedeerd. Het schrijven van een boek over Hitler ging hem geenszins in de koude kleren zitten, zo blijkt ook uit de volgende notitie:

“Werk aan passage over Hitler. Nu en dan sidder ik van mijn eigen boek.”

De laatste woorden uit de roman, blijken voor de schrijver een worsteling te zijn geweest in het voortzettend van zijn schrijverswerkzaamheid. De laatste zin luidt: “Daarna niets meer”. Voor Mulisch’ oeuvre gold hetzelfde.

Ode aan de vriendschap

Met Zijn eigen land heeft Robbert Ammerlaan de werkkamer van Harry Mulisch enigszins tastbaar gemaakt. Het is een bijzonder reisverslag door het werkvertrek aan de Leidsekade, een vluchtig verslag van het leven van Mulisch en een prachtige expeditie door diens oeuvre. Voor de liefhebber van Mulisch een grote lading leesplezier, een boek om opzettelijk in te verdwalen, zodat de tocht nog langer duurt. Maar voor hen die Mulisch en zijn werk nauwelijks of geheel niet kennen, is dit boek een aangename introductie. Zij dienen wel gewaarschuwd te worden. Ammerlaan schrijft zo enthousiast en krachtig over (de werken van) Mulisch, dat je na het lezen direct in een boek van De Grote Een duikt.

Zijn eigen land is bovenal een ode aan Harry Mulisch en diens oeuvre. Het is een ode aan de vriendschap tussen Ammerlaan en Mulisch. Ammerlaan laat bekende Mulisch-adekdotes de revue passeren, maar tussen de regels door komt voortdurend de vriendschap met Mulisch naar voren. Een vorm van wederzijds respect en vertrouwen tussen auteur en uitgever. Hierdoor komt Ammerlaan richting het schrijven van de biografie in een worsteling met betrokkenheid aan de ene kant en afstand tot het onderwerp van zijn boek aan de andere. Hier ligt voor Ammerlaan de grote uitdaging bij het schrijven van de biografie van Mulisch: voldoende afstand bewaren, zonder de in dit boek gehanteerde en zeer plezierige schrijfstijl te verliezen. Met Zijn eigen land legt Ammerlaan de verwachtingen voor de uiteindelijke biografie hoog. Het is afwachten of deze verwachting waar te maken is. Of dat zo zal zijn, zal de tijd leren. Een streefdatum voor publicatie heeft Ammerlaan tot nu toe niet genoemd.

Zijn eigen land. Een reis door de werkkamer van Harry Mulisch
Robert Ammerlaan
De Bezige Bij
ISBN 9789023496847

Thomas More, humanist aan het einde van de middeleeuwen

We leven in een utopisch jaar, althans precies 500 jaar geleden verscheen het boek Utopia van de Brit Thomas More. Onder toeziend oog van de Nederlandse humanist Erasmus werd het eerste exemplaar in Antwerpen gedrukt. More (1478 – 1535) was schrijver, jurist, humanist, staatsman en adviseur van het Britse koningshuis. Dit jaar verscheen de Nederlandse vertaling van een boek over het leven van deze Britse humanist. De biografie van More is van Peter Ackroyd, een veelzijdig historicus die eerder de biografieën schreef van onder andere Shakespeare, Dickens en Chaplin.

De bekwame jurist

Ackroyd sleept de lezer vanaf de eerste bladzijde tot de laatste mee naar het roerige eind van de middeleeuwen. Hij beschrijft gedetailleerd het Londen waarin More opgroeide. More werd katholiek opgevoed en opgeleid als jurist. Hij bleek een buitengewoon kundige onderhandelaar en een scherp retoricus. Deze kwaliteiten kwamen goed van pas toen hij secretaris van de koning werd en daarnaast zitting nam in het Britse parlement. Vanuit zijn retorische talent kwam zijn schrijverschap als logische stap. Ackroyd laat zien dat de schrijver More een twee-eenheid  vormt met de erudiete jurist. Dit is voor een historicus makkelijk te bepalen, maar gedurende zijn leven liet More weinig mensen toe tot zijn ware zelf. Hij wordt getypeerd als iemand die bij voortduring een bepaalde afstandelijkheid in acht nam.

Hij studeert rechten aan New Inn. Hier staan de tradities en rituelen in hoog aanzien. Hiërarchie blijkt voor Thomas More belangrijk, net als het katholieke geloof. Hij zal in zijn latere leven veel waarde blijven hechten aan machtsverhoudingen en religie.

Dat blijkt allereerst als in 1517 Maarten Luther zijn 95 stellingen op de deur van de kerk in Wittenberg spijkert. More heeft als rechtschapen katholiek forse kritiek op de Duitser. Ackroyd merkt op dat vanaf dat moment de schrijver More een andere toon aanslaat dan voor 1517. De polemist heeft na de kritiek van Luther op de katholieke kerk de bovenhand gekregen.

Hij werkte vrijwel zijn hele leven aan het hof van het Britse koningshuis. Als jurist werd hij ingezet bij onderhandelingen met het Europese vasteland en als lid van het parlement stond hij dicht bij de koning.

More wordt kanselier, een functie die normaliter voorbestemd is voor theologen. Hij is een leek die op moet komen voor de macht en het gezag van de Britse geestelijkheid. Dit geldt niet alleen binnen de landsgrenzen, maar ook daarbuiten. Juist vanwege dit laatste heeft koning Hendrik VIII gekozen voor de erudiete jurist More. Vanuit zijn functie als kanselier krijgt More intensief met de strijd tegen ketterij te maken. Ackroyd neemt voor deze woelige periode ruim de tijd en beschrijft uitvoerig hoe besluitvorming rondom thema’s als de macht van de kerk liepen.

Met zijn benoeming als kanselier, komt More steeds meer in een isolement te zitten. Hij raakt verwikkeld in de strijd van de koning om van zijn vrouw te kunnen scheiden. Dit is in strijd met de regels zoals die vanuit Rome worden opgelegd. Koning Hendrik VIII probeert daarom de macht van de paus in te perken. More koos als trouw katholiek de kant van Rome. Het betekende zijn ontslag als kanselier. Vanaf dat moment leefde hij in zorgen. Uiteindelijk werd hij ter dood veroordeeld vanwege hoogverraad.

Belang van de biografie

De waarde van een biografie wordt niet altijd even hoog ingeschat. Toch is kennis over het leven van Thomas More van belang voor een goede receptie van zijn Utopia. De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis schreef ooit een zeer kritisch boek over het utopisch denken. Maar bij zijn laatste bezoek aan VPRO’s Boeken toonde hij zich een bekeerd utopist. Met kennis over het leven van More, zijn strubbelingen en zijn bezigheden kwam Achterhuis tot een wezenlijk andere, positievere interpretatie. Het mag gezegd: deze biografie van Ackroyd geeft een helder beeld van wie Thomas More was, hoe hij zich in de loop van zijn leven heeft ontwikkeld en hoe hij tot zijn visie kwam.

Vaak zoekt  Ackroyd de nuance. Hij beschrijft de feiten en voorziet deze van een bredere interpretatie binnen de context van de tijd. Maar waar hij soms positief kritisch is (bijvoorbeeld in zijn oordeel van Utopia), mis ik de kritische noten bij More. De rigide houding van More inzake de ketterij – zo kon hij zijn voldoening na een terechtstelling niet onderdrukken – vraagt op zijn minst een verklaring voor iemand die als humanist de geschiedenis is ingegaan.

Meer dan een biografie van More

Ackroyd heeft een verhalende biografie geschreven, waarbij het narratieve karakter niets afdoet aan de inhoudelijke kwaliteit. Het veelvuldig gebruik maken van de correspondentie van More met onder andere Erasmus geeft het boek een extra diepgang. De Britse historicus maakt gebruik van primaire bronnen en verweeft deze bronnen met het leven van zijn hoofdpersoon.

Het boek laat zich voor de periode 1515 tot 1518 ook gebruiken als leeswijzer bij het bekendste werk van More: Utopia. Ackroyd neemt de lezer mee in hoe dat boek tot stand is gekomen en welke correspondenties More onderhield die mogelijk van invloed zijn geweest op het schrijven. Interessante vraag: veranderde More de titel op aanraden van Eramus? Tot kort voor publicatie luidde die Nusquama (Grieks, laat zich vertalen tot Nergens). Ook deze Ackroyd weet in deze kwestie geen definitief uitsluitsel te geven.

Dit boek is meer dan een biografie van Thomas More. Het is een kennismaking met de wereld en haar hiërarchie van rond 1500. Het is een wandeling door het oude Londen aan de vooravond van de Reformatie. Ackroyd neemt alle tijd en ruimte om de straten waar More liep te beschrijven. Hij beschrijft de kerken waar de humanist zijn geloof belijdde, de collegezalen waar hij studeerde. Dit vraagt wat geduld van de lezer die het verhaal over het leven van More wil vernemen, maar hij krijgt daar prachtige beschrijvingen voor terug.

Thomas More, biografie
Peter Ackroyd
Uitgeverij Polis
ISBN 9789463101226
Verschenen in september 2016

Een veelzijdige eenling

Johannes de Silentio, Johannes Climacus, Anti-Climacus, Victor Eremita, Hilarius Bogbinder, Frater Taciturnus, Vigilius Haufniensis, Constantin Constantius. Verschillende namen voor maar één man, de Deense filosoof Søren Aabye Kierkegaard (1813-1855). Een invloedrijke denker uit de negentiende eeuw, maar het aantal biografieën dat aan hem is gewijd, is op een hand te tellen. Met het verschijnen van Søren Kierkegaard, een biografie is er een nieuwe indrukwekkende biografie aan dit korte lijstje toegevoegd. De schrijver van dit werk is Kierkegaardkenner en theoloog Joakim Garff. Hij heeft zich ten doel gesteld niet vanuit het heden terug te kijken op de eenling Kierkegaard, maar om de denker vanuit zijn eigen tijd te bezien. Dat maakt dat zijn werk meer is dan een beschrijving van het leven van de Deense denker. Kierkegaard is toch vooral de Deense filosoof. De denker die vrijwel zijn hele leven in Denemarken heeft gewerkt en geschreven, enkele korte uitstapje naar Duitsland daargelaten. Daar, en dan specifiek in Berlijn, volgde hij colleges bij Friedrich von Schelling (1775-1854). Maar het leeuwendeel van zijn leven brengt hij door in Denemarken, hetzelfde Denemarken waar schrijver Hans-Christiaan Andersen zich beweegt. In die Deense leefomgeving zijn er twee thema’s die Kierkegaard constant bezighouden en daarmee een rode draad vormen door zijn leven: de filosofie en de kerk.

Hij is de jongste van zeven kinderen. Van deze zeven kinderen waren er maar twee die ouder werden dan 35: Søren en zijn broer Peter Christiaan. Zijn vader was een goede zakenman, maar met een melancholisch karakter. Een karaktertrek die ook voor Søren geen onbekende was.
Als student kiest hij voor een studie theologie, nadat zijn hele jeugd in het teken van de geloof heeft gestaan. De Broedergemeente waar Kierkegaard in zijn jeugd naar de kerk ging, legde vooral de nadruk op de lijdensweg van Jezus. Dit heeft diepe indruk gemaakt op de jonge denker. Toch heeft de filosoof zijn hele leven een wat ambivalente verhouding gehad ten opzichte van het geloof. Zijn worsteling komt in een dagboekfragment treffend naar voren:
‘Mocht ik ooit een serieus christen worden, dan denk ik dat ik me er vooral voor zal schamen dat ik het niet eerder ben geworden, dat ik eerst al het andere heb willen proberen.
De schrijver
De jonge denker zoekt zijn eigen weg, daarvoor gebruikt hij zijn pen. Hij begint al jong te schrijven en het is iets dat hij zijn hele leven blijft doen. Aan het papier kan hij zijn verhaal en zijn gedachten kwijt. Hij giet zijn schrijverswerkzaamheid in brieven, dagboeken en essays. Er is dan ook een indrukwekkend oeuvre overgeleverd, van zijn dissertatie Over het begrip ironie, vooral met betrekking tot Socrates tot Het begrip angst. Opvallend is dat Kierkegaard ook zijn eigen leven vaak gebruikt voor zijn schrijven, waardoor een deel van zijn oeuvre moet worden gelezen als een verzameling semi-autobiografische schetsen.
De denker
Kierkegaard is als filosoof vooral bekend van de filosofische stroming die voortkomt uit zijn denken: het theologisch existentialisme. Hij wordt door velen gezien als de geestelijk vader van het existentialisme, maar de term existentialisme komt niet voor in zijn werk. Deze stroming, die de mens uitdaagt weer over zichzelf na te denken, kent in de twintigste eeuw beroemde volgers zoals Sartre, Camus en Jaspers. Kenmerkend voor Kierkegaard is dat hij zijn filosofie leefde, zoals later ook Nietzsche en Wittgenstein. Dat leven van zijn filosofie, maakte hem in omgang ook niet zo eenvoudig. Dit blijkt buitengewoon treffend uit zijn verloving met Regine Olsen. Deze verloving werd door Kierkegaard binnen een jaar weer verbroken. Hij legt zich toe op zijn werk, het schrijverschap, hoewel hij zijn leven lang in de ban zou blijven van deze vrouw. Garff geeft in zijn werk duidelijk weer hoe Kierkegaard zijn filosofie leefde. Hij maakt dit inzichtelijk door terug te grijpen op de dagboeken en brieven van de denker.
Een biografie
Het was een fikse uitdaging waar Garff zichzelf voor stelde. Een biografie schrijven van een man die zijn hele leven had gewijd aan het vastleggen van zijn eigen leven. Daarnaast wil Garff Kierkegaard terugplaatsen in zijn eigen tijd. Hij wil de man in beeld brengen die op zijn 25e al zeven sterfgevallen in zijn directe omgeving heeft meegemaakt. De schrijver van deze biografie gebruikt op treffende wijze de brieven en dagboeken van Kierkegaard, om de worstelingen en gevoelens die zich van hem meester hadden gemaakt duidelijk te maken.
Garff weet de biografie extra kracht te geven, door niet alleen aandacht te hebben voor het leven van de Deense filosoof. Los daarvan gaat hij in op het werk dat Kierkegaard heeft gepubliceerd, hoe dit werkt tot stand gekomen is en niet onbelangrijk: hoe het ontvangen is in de literaire en filosofische kringen. Daardoor is het beeld dat van Kierkegaard ontstaat veel breder dan alleen een beschouwing op het leven zelf. Daar komt nog bij dat Garff op een prettige manier structuur geeft aan de tekst en op een speelse manier schrijft, waardoor je het boek maar moeilijk weg kan leggen. Het is zonder meer een monumentale biografie, een werk dat uitvoerig is, diepgaand, diepzinnig en, ondanks dat, goed leesbaar voor een breed publiek.

Søren Kierkegaard, een biografie

J. Garff
Uitgeverij Ten Have
ISBN 9789025903947

Gerbrandy, Neerlands premier in oorlogstijd

Solistisch, eigengereid, rechtlijnig, dwarsligger, weinig oog voor nuance en compromis. Het lijken niet de meest praktische karaktereigenschappen voor een politicus. Althans, niet voor een politicus in een coalitieland, een land dat als geestelijk vader wordt gezien van het poldermodel. Toch zijn het de eigenschappen van een Nederlandse minister-president, Pieter Sjoerds Gebrandy (1885-1961). Gerbrandy was premier tijdens de moeilijkste periode uit de geschiedenis van het koninkrijk: gedurende de Tweede Wereldoorlog. Historicus en jurist Cees Fasseur (1938) heeft zich verdiept in het leven van Gerbrandy en schreef over hem het boek Eigen meester, niemands knecht.

Voorafgaand aan de Europese spanningen

Gerbrandy werd geboren op 13 april 1885 in Friesland en groeide op in een gereformeerd en antirevolutionair gezin Pieter Sjoerds vertrok in 1904 naar Amsterdam om er rechten te gaan studeren aan de Vrij Universiteit. Na zes jaar studie behaalde Gerbrandy zijn meesterstitel.
Het politieke leven liet niet lang op zich wachten: in 1917 trad Gerbrandy namens de Anti-Revolutionaire Partij toe tot de gemeenteraad van Sneek. Dat politieke ambt oefende hij drie jaar uit alvorens hij in 1920 aantrad als gedeputeerde voor de provincie Friesland. Hij was een eigenzinnig politicus die de botsing niet schuwde. Binnen de ARP kreeg Gerbrandy als snel het stempel van dwarsligger vanwege zijn standpunt over vrouwenkiesrecht en de rol van de overheid. Een aanvaring met partijleider Colijn bleef dan ook niet uit. Desondanks had het weinig gescheeld of de Friese antirevolutionair was toegereden tot het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck III, ware het niet dat Gerbrandy niet thuis was toen er gebeld werd. Hij verliet het politieke toneel in 1930 om aan te treden als hoogleraar aan de VU.

Na de val van het vijfde kabinet-Colijn gaf Wilhelmina jhr. D.J. de Geer de opdracht een breed gesteund kabinet te formeren. Gerbrandy trad toe tot dit kabinet zonder medeweten van zijn partij, iets dat hem allerminst in dank werd afgenomen. Na de Duitse invasie vertrok het kabinet naar Londen. Aldaar bleek dat De Geer niet de premier was die Wilhelmina zich wenste. Ze miste de overtuiging dat de oorlog gewonnen zou worden en merkte ook dat De Geer niet onwelwillend stond tegenover een overleg met de Duitse bezetter. In de zomer van 1940 werd De Geer ontslagen.Uitwijken naar Londen

Wilhelmina zag in Gerbrandy dé opvolger van De Geer. In hem herkende zij de onverzettelijke wil om te blijven vechten tegen nazi-Duitsland. Gerbrandy is in de Nederlandse parlementaire geschiedenis de enige premier geweest die zijn hele regeerperiode heeft geregeerd zonder Staten Generaal. Blakend van vaderlandsliefde en wars van enige angst pakte Gerbrandy zijn nieuwe taak op. Hij lag al snel vrij goed bij de Britse oorlogspremier Winston Churchill, iemand met wie hij veel eigenschappen deelde: onverzettelijk en vastberaden in het doorvechten.
Grootste probleem voor Gerbrandy was het feit dat hij in zijn handelen een einzelgänger was en daardoor het kabinet nooit tot een echte eenheid wist te smeden. De volledige kabinetsperiode in Londen stond in het teken van diverse crises. Gerbrandy heeft gedurende het verblijf in Londen geprobeerd een War Cabinet te vormen en meer bevoegdheden naar zich toe trekken.
Fasseur merkt in zijn boek op dat de band tussen Wilhelmina en Gerbrandy gedurende de oorlog aan verandering onderhevig is. De kentering in hun relatie valt gelijk met de kentering van de oorlog: met het afzwakken van de Duitse overheersing zwakt ook de sterke band tussen vorst en premier af. Tijdens de Londense kabinetten was een voortdurend onderwerp van vergadering en overleg de mogelijkheid tot het vormen van een noodparlement. De band tussen Wilhelmina en Gerbrandy liep onherstelbare schade op toen de vorstin trachtte haar vernieuwingswens door het kabinet drukken. Halfweg de oorlog werden op voorspraak van de koningin een aantal Engelandvaarders aan het kabinet toegevoegd, waaronder de latere fractievoorzitter van de PvdA Jaap Burger. De gedeeltelijke bevrijding van Nederland bracht nieuwe spanningen tussen kabinet en vorstin. Die spanningen en de onrust in het kabinet leidden uiteindelijk tot de val van Gerbrandy-I, het tweede kabinet-Gerbrandy kwam er maar met een aantal nieuwe gezichten uit het bevrijde zuiden.

Na de bevrijding

Gerbrandy werd door het volk op handen gedragen na de bevrijding en hij bleef na het einde van zijn kabinetsperiode actief. In eerste instantie met de in 1946 mede door hem opgerichte Nationaal Comité tot Handhaving der Rijkseenheid dat zich verzette tegen de zelfstandige staat Indonesië. In 1948 was Gerbrandy binnen zijn partij – althans bij de leden – ontzettend populair. Hij stelde zich dan ook verkiesbaar voor de Tweede Kamer, maar zijn populariteit drukte zich in electoraal opzicht niet uit. Ook in de Tweede Kamerfractie acteerde Gerbrandy als een einzelgänger. In zijn optreden in de Kamer valt op dat hij ten opzichte van zijn politieke positie van voor de oorlog veel meer in de conservatieve hoek is gaan nestelen. Hij veroorzaakte met Jaap Burger nog een kabinetscrisis en trad toe tot de Commissie van Drie die de affaire rond Greet Hofmans moest onderzoeken. In 1959 werd hij benoemd tot erelid van de ARP. Twee jaar later stierf hij aan de gevolgen van botkanker.
Fasseur is een is historicus die afstand neemt van zijn onderwerp. Hij schrijft op gedegen wijze een geschiedenis van het reilen en zeilen van de kabinetten in Londen. Maar door de afstand tot het onderwerp is deze biografie voornamelijk een politieke biografie. Een boek dat laat zien hoe Gerbrandy zich bewoog binnen zijn partij en binnen de smalle marges van de democratische politiek. Fasseur zet zonder twijfel het beeld dat Lou de Jong van Gerbrandy heeft geschetst enigszins recht: Gerbrandy was geenszins een makke volger van de vorstin, hij was geenszins nederig en het ontbrak hem ook niet aan visie. Gerbrandy was de man bij uitstek die Nederland nodig had in de woelige en roerige jaren van de Tweede Wereldoorlog.

Eigen meester, niemands knecht. Het leven van Pieters Sjoerds Gebrandy minister-president van Nederland in de Tweede Wereldoorlog
C. Fasseur
Uitgeverij Balans
Oktober 2014
ISBN 9789460038259
606 pagina’

De vierzijdige januskop Baruch de Spinoza

De ruim tien pagina’s in de befaamde Encyclopedia of Philosophy tonen al aan dat de Nederlandse filosoof Baruch de Spinoza (1632-1677) een belangrijke naam is in de geschiedenis van de westerse filosofie. Aan de lange lijst met studies naar Spinoza en zijn filosofie kan een nieuwe titel worden toegevoegd: Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland van universitair hoofddocent geschiedenis van de wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Henri Krop.

De vraag waarom dit boek geschreven is, is snel beantwoord: hoewel er veel onderzoek gedaan is naar Spinoza, is nog nooit in beeld gebracht hoe de receptie van Spinoza’s werk door de eeuwen heen geweest is en hoe het andere denkers heeft beïnvloed. De historicus Krop pakt de lezer bij de hand en neemt hem mee naar de tweede helft van de zeventiende eeuw. Met in zijn andere hand het oeuvre van Spinoza wandelt Krop richting het heden. Een heel leerzame en uitdagende wandeling, want over de interpretatie van Spinoza’s werk wordt tot op de dag van vandaag vurig gediscussieerd en van een eensluidende interpretatie is geen sprake. Krop toont aan dat ook in de achter ons liggende eeuwen geen sprake was van zo’n interpretatie. De lezer krijgt van Krop een uitgebreid gedocumenteerd verslag van het debat, dat al ruim drie eeuwen voortduurt. De auteur laat zien dat de receptie van Spinoza’s werk per historische periode heel erg verandert.Krop wil in zijn boek niet zozeer een beeld schetsen van de filosoof Spinoza in zijn tijd, maar wil juist het belang van Spinoza voor de Nederlandse culturele geschiedenis aantonen. In het voorwoord geeft Wiep van Bunge – hoogleraar geschiedenis van de wijsbegeerte – aan dat Krop met dit boek mogelijk niet eens zozeer een geschiedenis van Spinoza en het spinozisme heeft geschreven, maar een geschiedenis van de Nederlandse wijsbegeerte van de tweede helft van de zeventiende tot en met de eenentwintigste eeuw.

Spinoza door de eeuwen heen

Krop schetst in zijn boek vier verschillende perioden, alle vier gekenmerkt door een andersoortige receptie en waardering van Spinoza’s filosofie. Je zou die kunnen typeren als een vierzijdige januskop, met iedere zijde zijn eigen tijdvak.
In de eerste periode wordt Spinoza voornamelijk langs de Descartes-meetlat gelegd. Deze periode speelt zich af in de zeventiende eeuw, de tijd van Spinoza. Hierbij wordt hem verweten het cartesiaanse denken te hebben geradicaliseerd. Krop stelt in deze dat Spinoza de filosofie van Descartes heeft gebruikt om een heel eigen visie te ontwikkelen, waarbij er weinig overbleef van de originele Descartes.

In de tweede periode, die grofweg de achttiende eeuw bevat, is het debat over de relatie tussen Descartes en Spinoza verdwenen. In deze periode richt de kritiek zich op de veronderstelling dat Spinoza een fatalist zou zijn. Spinoza benadrukt in een van zijn brieven dat de mensen niet volledig vrij zijn, maar door ‘uitwendige oorzaken gedetermineerd worden’. Op de ontkenning van de menselijke vrijheid en de vrije wil richt zich de kritiek in deze periode. Opvallend is dat in diezelfde achttiende eeuw er in Duitsland sprake is van een Spinozismusstreit. Een debat over de waarde van Spinoza’s filosofie, dat uiteindelijk resulteert in een positieve waardering. Typerend hiervoor is het volgende citaat van Hegel: ‘Men heeft óf Spinozisme óf in het geheel geen filosofie.’

De waardering die men in Duitsland toekende aan Spinoza kwam in Nederland in de derde periode van het spinozisme tot stand: van de laat achttiende eeuw tot 1945. Toen werd Spinoza zowel binnen de filosofie als binnen de Nederlandse literatuur omarmd. Het is de bloeiperiode van het spinozisme, die vooral voor de eeuwwisseling zijn hoogtijdagen kent. Schrijvers als Frederik van Eeden en Albert Verwey vonden in de filosofie van Spinoza de inspiratiebron voor hun literaire werk.

Afijn, Krop schetst in zijn boek een ontwikkeling van het spinozisme die vier gezichten kent: de vergelijking met Descartes, Spinoza als fatalist, Spinoza als semi-heilige en Spinoza als historisch belangrijk filosoof. Het is bewonderenswaardig hoe Krop de moeilijke materie op een leesbare manier weet te beschrijven, waarbij alleen de lange Latijnse titels van studies het vloeiende lezen soms doorbreken. Spinoza een paradoxale icoon van Nederland is een welkome toevoeging aan de historie van de Nederlandse wijsbegeerte.De bijna ongeremde omarming van Spinoza’s filosofie werd na de Tweede Wereldoorlog ingewisseld voor een genuanceerde blik. De waardering voor Spinoza bleef, maar van de semi-heiligheid van voor 1945 was geen sprake meer. Deze verandering in beleving komt vooral voort uit de wijziging van de omgeving waar het spinozisme wordt bedreven. Voor 1945 was dit voornamelijk in literaire kringen, terwijl het naoorlogse spinozisme zich voornamelijk afspeelde binnen de academische wereld.

Spinoza een paradoxale icoon van Nederland
Henri Krop
Prometheus/Bert Bakker
ISBN 9789035138711
Verschenen maart 2014