welkom op niekwind.nl

Freud versus de Afsluitdijk

Vanaf de Romantiek heeft de wetenschap een bepaalde invloed uit weten te oefenen op de visie die schrijvers en critici hadden op de literatuur. Het realisme en het naturalisme ontstonden in de literatuur aan de hand van de filosofie van het positivisme van Auguste Comte1. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam de Oostenrijkse neuroloog Sigmund Freud met een baanbrekende nieuwe visie op de menselijke psyche. De invloed van Freud op literatuur is lang van kracht geweest.2
In de Nederlandse literatuur is de verdieping van het ‘ik’ in de roman – iets dat kan worden toegeschreven aan de visie van Freud op de mens – onder andere terug te vinden bij Het land van herkomst van E. du Perron en de Anton Wachterreeks van Simon Vestdijk.3 Deze verdieping van het ‘ik’ uit zich in de kunst, en in het bijzonder in de literatuur, vooral in de periode van het modernisme. In deze periode verschijnen in de Nederlandse literatuur de eerste bewustzijnsromans.4 Maar naast een directe invloed op de literatuur heeft de theorie van Freud ook een nieuwe wijze van interpreteren tot stand gebracht. In dit essay zal worden ingegaan wat de rol van de psychoanalyse van Freud kan zijn bij het interpreteren van het Nederlandstalige gedicht Afsluitdijk van M. Vasalis.

Allereerst is het belangrijk om te bespreken wat de theorie van Freud precies inhoudt. Zijn visie op de menselijke psyche en de uitwerking van die visie op het menselijke handelen is zodanig uitgebreid dat het onmogelijk is om hier in zijn volledigheid te bespreken. De thema’s uit Freuds theorie die voor dit essay van belang zijn zullen hier worden besproken. Allereerst is het van belang dat Freud tot de conclusie kwam dat de mens een gelaagd wezen is: zij bestaat uit drie psychische zones. De eerste van deze drie is het Es. Dit is de zone die verantwoordelijk is voor alle driften van de mens. Dit zijn onder andere seksuele verlangens en agressie. Deze zone is volgens de theorie van Freud volledig onbewust, de mens neemt hier geen kennis van. Om deze driften in evenwicht te houden zijn er twee andere zones: het Ik en het Boven-Ik. Deze scheiding tussen het Ik en het Boven-Ik vond in een later stadium plaats.5 In eerste instantie was er sprake van een scheiding van het Es en het Ik. Het Boven-Ik is de gehele verzameling van regels die van bovenaf wordt opgelegd aan de mens. Hierbij speelt de opvoeding een grote rol, dan worden immers de regels van de samenleving uitgelegd. Het Boven-Ik wordt gezien als de zone die de samenleving beschermt tegen het Es. Als laatste zone is er de Ik, deze is verantwoordelijk voor de bescherming van het individu tegen zijn eigen Es. Het Ik zorgt ervoor dat de verlangens van het Es op een ongevaarlijke manier worden geuit.6

Een ander belangrijk aspect in de theorie van Freud is de droomduiding. In zijn Droomduiding gaat Freud dieper in op de herkomst en de duiding van bepaalde dromen. Voor de analyse van dromen gebruikt hij zowel dromen van zichzelf als die van anderen. Volgens Freud bevatten dromen herinnering, waarvan een groot aantal hun herkomst hebben in de kindertijd. Hij ziet daarnaast de droom ook als de toegangspoort tot het onbewuste.7 Dit vormt de droom mede tot het beginpunt van zijn later zo bekend geworden psychoanalyse.
Er is nog een onderdeel van de theorie van Freud die voor de bespreking van Afsluitdijk van belang is. Dit het Oedipuscomplex. Dit naar het verhaal van Sophocles vernoemde fenomeen heeft betrekking op de relatie tussen het kind en de ouders. Volgens Freud ontwikkelt het kind zich tussen het derde en zesde levensjaar op seksueel gebied. Voor deze periode voelt het kind zich nog een met de moeder, er is sprake van een bepaalde symbiose tussen moeder en kind. Dit noemt men de preoedipale fase. In de fase die hierop volgt, de oedipale fase, wil het kind liefde ontvangen van de ouders van het andere geslacht en ziet zodoende de ouder van hetzelfde geslacht als rivaal.8 Hillenaar en Schönau vertalen deze visie van Freud naar de moederwereld en de vaderwereld. In de moederwereld – de preoedipale fase – draait het om nabijheid, dit komt overeen met de symbiose zoals die hierboven staat beschreven. Volgens Hillenaar en Schönau krijgt deze moederwereld in de taal de vorm van metonymieën. De vaderwereld – de oedipale fase – draait het eerst om de rivaliteit en daarna om de ouder van hetzelfde geslacht die het voorbeeld wordt. Dit noemen Hillenaar en Schönau gelijkenis.9
Zoals de inleiding al aangaf heeft de psychoanalyse invloed uitgeoefend op de literatuur. De al eerder aangehaalde bewustzijnsroman is hier een goed voorbeeld van. Maar naast de directe invloed van de theorie van Freud op de literatuur is er ook een invloed van zijn theorie op de literaire tekstinterpretatie. Hillenaar en Schönau hebben een reeks aan teksten onderworpen aan de psychoanalytische tekstinterpretatie. Zij hebben in het boek Tekst en psyche niet de psychoanalyse toegepast op de teksten, maar hebben de onderliggende psychoanalytische aspecten uit de teksten proberen te destilleren. Er wordt in het boek van Hillenaar en Schönau vooral gezocht naar de onbewuste freudiaanse verwijzingen met betrekking tot dromen, kindertijd en de seksualiteit.10

Tekst en psyche bestudeert onder andere teksten van Proust, Joyce, Kafka en Van het Reve. In het vervolg van dit essay zal ik ingaan op de interpretatie van het gedicht Afsluitdijk van M. Vasalis. Allereerst zal een kort worden ingegaan op wie Vasalis was en hoe zij geplaatst moet worden in de literatuurgeschiedenis. Daarna zal de interpretatie van Hillenaar en Schönau worden besproken en tot slot zal ik mijn eigen aanvullingen en kritiek hierop geven.

De dichteres M. Vasalis – pseudoniem van Margaretha Drooglever Fortuyn-Leenmans – publiceerde haar eerste dichtbundel Parken en woestijnen in 1940. De kritiek op haar eerste dichtbundel was zeer positief, ze stak volgens de critici uit boven de algemeen gebruikte parlandostijl. Haar poëzie kenmerkt zich door tegenstellingen, dit doet de titel van haar eerste bundel al vermoeden. Daarnaast is het opvallend dat Vasalis in haar gedichten alledaagse ervaringen weet te verwerken die een diepere beleving weten op te roepen. Als laatste is het van belang om hier op te merken dat beelden die Vasalis in haar poëzie gebruikt veelal suggestief zijn, deze beelden hebben vaak ook een symbolische waarde.11 Deze kenmerken van haar poëzie maken het dichtwerk van Vasalis uitermate geschikt voor een onderwerping aan de psychoanalytische tekstinterpretatie.

Voordat ik kan beginnen met het bespreken van de interpretatie van het gedicht Afsluitdijk is het van belang nog een bepaald aspect uiteen te zetten dat volgens Hillenaar en Schönau van groot belang is. Dit heeft betrekking op de theorie van Freud op de kindertijd met betrekking tot de literatuur. Volgens Freud speelt de kindertijd en de ervaringen die de mens daar opdoet een leven lang onbewust mee. Het speelt bij een schrijver nog mee in het onbewuste.12 De herinneringen spelen hierbij een zeer belangrijke rol, volgens Freud vormen deze herinneringen het oermateriaal van de literatuur.13
Freud ziet literatuur als een vorm van dagdromen, dit kent zijn oorsprong in de droom van het kind.14 Het kind probeert in zijn dromen aan de hand van verbeelding een brug te bouwen tussen de werkelijkheid en de verlangens. Freud ziet in deze context in de literatuur wat hij noemt de familieroman: een netwerk van dromen die een kind heeft over belangrijke personen in het leven.15

Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos,
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, in ’t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze toch, geen toekomst, geen verleden
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.16

Op het eerste oog lijkt het hier te gaan om een heel volwassen gedicht waarbij slechts in de eerste strofe een duidelijke verwijzing is naar de kindertijd. Toch spelen er in dit gedicht twee herinneringen die direct verwijzen naar de kindertijd: de droom van de eerste strofe en de zeemeermin. Deze laatste vooral omdat de zeemeermin vooral in de jeugdjaren een belangrijk figuur is. Dan wordt er immers voorgelezen uit het werk van Andersen.
In de eerste strofe wordt aan de hand van een metafoor – ‘de bus rijdt als een kamer’ – een beeld geschetst dat veilig oogt. De sfeer van deze strofe is er een van intimiteit, deze intimiteit wordt kracht bijgezet door het woord wij in de laatste regel van de strofe. De ‘wij’ impliceert ook een bepaalde symbiose, waarschijnlijk tussen het kind en de moeder. Dit wordt aannemelijker gemaakt door de zinsnede een kleine maan schijnt zacht, dat uit een wiegeliedje komt. Volgens Hillenaar en Schönau verwijst het woord eindeloos naar de gevoelde eindeloosheid bij het dromen.17 Dit dromen past in de theorie van Freud, de hierboven genoemde symbiose zou in die context wijzen op de preoedipale fase. De symbiose die hierboven werd aangehaald heeft betrekking op de nabijheid uit de moederwereld die Hillenaar en Schönau bespreken. Toch wordt in deze strofe ook al snel duidelijk dat de sfeer van symbiose niet eeuwig duurt, dit zit in het woord rusteloos.18

In de tweede strofe komt de reizigster terecht in de oedipale fase: zij maakt kennis met de ander.19 In dit geval met twee matrozen. Opvallend is dat in deze strofe die de oedipale fase beschrijft er ook sprake is van een voor die fase zo kenmerkende verlangens. Deze seksuele verlangens van de reizigster uiten zich in de volgende zinsneden: Jonge pas-geschoren nekken, lenig rekken en tot slot op elkaars schouders slapen. Dit laatste wijst volgens Hillenaar en Schönau naar de positie die stellen aannemen die zojuist gevreeën hebben20. In deze strofe gaat het vooral om de verlangens van het ‘ik’, kenmerkend voor de oedipale fase.
In de laatste strofe lijkt de reizigster te verdwalen in haar gedachten. Het raam van de bus blijkt als een soort halve spiegel te functioneren. De reizigster ziet zowel de mensen in de bus als de wereld buiten de bus. Zij ziet de Zuiderzee en zij ziet zichzelf, het beeld dat zij dan krijgt is: haar hoofd dat boven het water van de Zuiderzee uitkomt. Dit roept de vergelijking op met de zeemeermin. Hillenaar en Schönau vermoeden dat de reizigster haar verlangens nu eindelijk een naam kan geven: zij is een zeemeermin.21 Deze interpretatie wordt kracht bijgezet door de regels waarin de vrouw een stem krijgt: zij kan als een zeemeermin met een lied de matrozen verleiden.22 In het beeld van het busraam als spiegel moeten de twee matrozen het ontgelden: zij worden gesneden door het gras. Dit zou te maken hebben met het niet ingaan op de verleiden van de reizigster.

Pas in de laatste regel wordt er een link gelegd met de titel van het gedicht. De gespletenheid in de laatste regel duidt waarschijnlijk op de gespletenheid van het innerlijk.23 Er zijn voor de mens twee werelden: de wereld van de verlangens en de wereld van de werkelijkheid. De metafoor van de Afsluitdijk kan worden uitgelegd als de grens tussen de twee werelden. Het blijkt uit de laatste strofe dat de reizigster hangt boven de dijk, ze zit niet in een van de twee wereld. Ze komt zowel bij haar verlangens als bij de werkelijkheid.

Er zijn twee aspecten waaraan Hillenaar en Schönau mijns inziens te weinig aandacht hebben besteed. Allereerst het woord ‘onschuldig’ in de laatste regel van de tweede strofe. Dit woord klopt namelijk niet in de context van deze strofe. De strofe wordt gezien als een uiting van de seksuele verlangens die kenmerkend zijn voor de oedipale fase. Deze verlangens zijn niet onschuldig. Hoe dit woord moet worden geïnterpreteerd durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar dat het onderbelicht is geraakt in de interpretatie van Hillenaar en Schönau durf ik wel te stellen.
Een tweede onderdeel waar naar mijn idee meer aandacht naar uit had kunnen gaan is de functie van de titel van het gedicht. De Afsluitdijk wijst op veel meer dan alleen maar de scheiding zoals Hillenaar en Schönau aangeven. Het is de scheiding tussen open zee en het IJsselmeer. Het IJsselmeer is heel beperkt, want begrensd. De zee is juist een grenzeloze omgeving waar je vrij alle wegen kunt begaan. In dat opzicht lijkt de Afsluitdijk aan te geven dat er aan de zuidkant van de Afsluitdijk sprake is van het Ik en het Boven-Ik en is de noordkant de ruimte waar het Es zich in beweegt.
Wat in ieder geval belangrijk is om te vermelden is dat dit gedicht van Vasalis – net als vele andere gedichten en prozateksten – nog lang niet uitgeïnterpreteerd is. Er zijn steeds nieuwe aanknopingspunten voor andere interpretaties. De interpretatie van literaire teksten blijkt onuitputtelijk te zijn.

Bibliografie

Van Boven en Kemperink 2006
Boven, E. van, & Kemperink, M.Literatuur van de Moderne Tijd. Nederlandse en Vlaamse letterkunde in de 19e en 20e eeuw, Bussum: Coutinho, 2006.

Freud 2009a
Freud, Sigmund, Het Onbewuste, red. W. Oranje, Amsterdam: Boom, 2009.

Freud 2009b
Freud, Sigmund, De Droomduiding, red. W. Oranje, Amsterdam: Boom, 2009.

Ghesquière 2008
Ghesquière, R., Literaire verbeelding 2. Een geschiedenis van de Europese literatuur en cultuur vanaf 1750, 2e druk, Leuven: Acco, 2008.

Guerin et al. 2004
Guerin, W.L. e.a., A handbook of critical approaches to literature, 5e druk, Oxford: Oxford University Press, 2004.

Hillenaar en Schönau 2004
Hillenaar, H. & Schönau, W., Tekst en psyche. Psychoanalytische tekstinterpretatie in de praktijk, Amsterdam: Boom, 2004.

Vasalis 2011
Vasalis, M. Parken en woestijnen,50e druk, Amsterdam: Van Oorschot, 2011.

  1. Ghesquière 2008, p.142 []
  2. Van Boven en Kemperink 2006, p. 162 []
  3. Van Boven en Kemperink 2006, p. 212-214 []
  4. Van Boven en Kemperink 2006, p. 210 []
  5. Freud 2009a, p.485 []
  6. Voor de beschrijving van de drie zones is gebruik gemaakt van de tekst van Guerin et al. Freud 2009a, p. 400 is gebruikt voor de vertaling van de termen []
  7. Freud 2009b, p. 679 []
  8. Freud 2009b, p.301-3260) Na een bepaalde periode verdwijnt de rivaliteit en ziet het kind de ouder van hetzelfde geslacht als voorbeeld. ((Hillenaar en Schönau 2004, p. 60 []
  9. Hillenaar en Schönau 2004, p. 58-61 []
  10. Hillenaar en Schönau 2004, p.14 []
  11. Van Boven & Kemperink 2006, p.215 []
  12. Hillenaar en Schönau 2004, p.55 []
  13. Hillenaar en Schönau 2004, p.55 []
  14. Hillenaar en SChönau 2004, p.56 []
  15. Hillenaar en Schönau 2004, p.56 []
  16. Vasalis 2011, p.20 []
  17. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  18. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  19. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  20. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  21. Hillenaar en Schönau 2004, p. 62 []
  22. Hillenaar en Schönau 2004, p. 63 []
  23. Hillenaar en Schönau 2004, p. 65 []

Derrida en het vertalen

Het is een bekend probleem, onder andere bij literatuur: vertaling. Het vertalen van teksten is problematisch, want talen kunnen elkaar niet volledig dekken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het Nederlandse woord ‘gezellig’, dit woord is onmogelijk naar het Engels te vertalen. Het probleem van vertalen wordt door de Franse filosoof Jacques Derrida onderschreven.
Hij gaat hier onder andere opin in een brief van 10 juli 1983.1 In deze brief geeft Derrida aan hoe moeilijk het is om de term ‘deconstructie’ te vertalen naar het Japans. In een eerder essay, geschreven in 1985, gaat Derrida in op vertalen op zich. Hij bespreekt dit aan de hand van het uit Genesis bekende verhaal van de Toren van Babel. In dit essay zal ik bespreken wat door Derrida naar voren wordt gebracht in zijn essay ‘Des Tours de Babel’. Dit zal ik – hoe ironisch dit eigenlijk ook moge zijn – doen aan de hand van de vertaling van J.F. Graham.2

Het essay zal in een aantal stappen toewerken naar een conclusie. Om het essay van Derrida goed te kunnen begrijpen is het van belang om het beeld van de Toren van Babel uit Genesis te schetsen. Daarnaast is het van belang om te bespreken wat Derrida verstaat onder deconstructie. Dit laatste zal nooit volledig kunnen slagen, want zoals Derrida in de eerder genoemde brief zelf al stelde: ‘What deconstruction is not? everything ofcourse! What is deconstruction? nothing of course!’3 Nadat uiteengezet is wat Derrida ongeveer verstaat onder deconstructie zal worden beschreven hoe de Franse filosoof dit weet toe te passen op het Bijbelse verhaal over de Toren van Babel.

Allereerst is het van belang om weer te geven waar de Bijbelse vertelling de Toren van Babel precies over handelt. De Toren van Babel is een bouwwerk dat werd gebouwd door de eerste nakomelingen van Noach. Het werd gebouwd in het gebied Sinear, in de stad Babel. De bedoeling was op de toren te bouwen tot de hemel. Dit was onder andere bedoeld om als centraal herkenningspunt te kunnen fungeren. Genesis handelt onder andere over dat God aan Noach en de zijnen de opdracht had gegeven zich over de aarde te verspreiden. Omdat dit niet vanzelf ging heeft God tijdens de bouw van de toren de taal van de bouwers doen verwarren, hierdoor werd de toren niet afgebouwd en verspreidde de mens zich alsnog over de wereld.

Wat als tweede van belang is om inzichtelijk te maken is wat Derrida bedoelt met zijn term deconstructie. Hier vormt zich – zoals in de bovenstaande inleiding al aangegeven – het eerste probleem. Want Derrida stelt zelf dat deconstructie niet valt te definiëren. Er is dan ook geen echte methode voor deconstructie. Toch is er wel een bepaalde strategie voor het deconstrueren door Derrida uiteengezet.4 De door Derrida uiteengezette strategie behelst een tweetal aspecten. De eerste hiervan bestaat uit het ter discussie stellen van de hiërarchische opposities.5Een voorbeeld hiervan is dat in een bepaalde tekst de voetnoot de algemene lijn van de tekst tegenspreekt. De betreffende voetnoot – hiërarchisch gezien niet van zeer groot belang ten opzichte van de gehele tekst – wordt in het geval van deconstructie van groot belang gemaakt. Het tweede aspect van deconstructie is dat de beide polen niet langer van elkaar te onderscheiden zijn, gevolg hiervan is dat de structuur en de betekenis van een tekst niet langer vallen te ordenen.6 Wat er gebeurt is dat een tekst op een detail (zoals een voetnoot) wordt opengescheurd en als gevolg daarvan een hele reeks aan nieuwe betekenissen aan de tekst kan worden toegeschreven. In dit laatste zit ook deels het probleem van het definiëren van deconstructie. Want deconstructie zoekt niet naar een specifieke betekenis, het maakt ruimte voor nieuwe betekenissen en stelt het oordeel c.q. de beslissing uit.7 Wat nog van belang is om te vermelden is dat deconstructie volgens Derrida in beginsel geen handeling is, het gebeurt: deconstructie zit al in de tekst.8Hiermee hoop ik een beeld te hebben gegeven van wat deconstructie inhoudt en hoe het te werk gaat.

Nu duidelijk gemaakt is wat de achtergrond van het verhaal van de Toren van Babel is en gepoogd is een zo compleet mogelijk beeld te schetsen van wat deconstructie volgens Derrida is kan nu worden gekeken naar het essay van Jacques Derrida over de Toren van Babel en het probleem van vertalen.  Dit essay is verschenen in 1985 onder de titel ‘Des Tours de Babel’.

Derrida geeft aan het begin van zijn essay aan dat Babel ik beginsel een eigennaam is. Het kenmerk van eigennamen is dat zij niet kunnen worden vertaald. Tegelijkertijd wordt aangegeven welke vraag niet eenvoudig kan worden beantwoord: waar hebben we het over als we Babel zeggen? Het is volgens de Franse filosoof duidelijk dat Babel niet naar slechts een specifiek iets verwijst.9 Babel staat voor de onmacht van de taal ten opzicht van betekenis. Juist dit beeld van waar de Toren van Babel voor staat laat zien dat er in de taal een noodzaak is voor beeldspraak. Er wordt duidelijk gemaakt dat de Toren van Babel niet staat voor de ongekend grote hoeveelheid aan talen, maar voor het staat voor het niet volledig af kunnen maken van de bouw van een bepaalde constructie. Immers, de Toren van Babel heeft de hemel nooit bereikt, het is nooit afgebouwd. Derrida vertaalt dit naar de mogelijkheid tot wat hij noemt ‘a “true” translation’.10 Volgens Derrida is de veelheid aan talen niet louter een beperking voor het kunnen completeren van die werkelijke vertalingen, het staat ook voor een bepaalde structurele orde. En binnen die orde is er een bepaalde limiet – die wordt figuurlijk weergegeven door het niet kunnen voltooien van de bouw – waar het gaat om het formuleren, de constructie van de orde is onvolledig. En zo gezien vormt vertaling in zekere zin een eigen soort deconstructie.11

Als vervolg op deze constatering gaat Derrida in op de rol die de originele taal waarin een bepaald verhaal is geschreven. De Toren van Babel kent zijn oorsprong in het Herbreeuws, de taal van waarin de eerste Bijbel werd geschreven. In deze taal heeft Babel ook een andere vertaling, Derrida zelf schrijft het prachtig: ‘In a tongue within which the proper name of Babel could also, by confusion, be translaten by “confusion”.12 Derrida maakt hierbij gebruik van de Dictionnaire philosophique van Voltaire, hierin staat dat het onbetwistbaar is dat Babel ook verwarring betekent. Hieruit moet worden geconcludeerd dat Babel niet alleen maar een eigennaam is, maar ook een zelfstandig naamwoord. En in tegenstelling tot een eigennaam valt een zelfstandig naamwoord wel te vertalen. Volgens Voltaire heeft in dit opzicht Babel ook een dubbelzinnige betekenis waar het gaat om verwarring: de verwarring die tot stand komt door de veelheid aan talen, maar ook de verwarring die er is gaan heersen door het feit dat de toren nooit is afgebouwd. Derrida besluit nog dieper in te gaan op wat Voltaire heeft beweerd. Want deze laatste ziet nog een aspect dat belicht moet worden in verband met de verwarring. Het feit dat de stad een naam heeft gekregen van God, de vader. God heeft door een naam te geven aan de stad, door namen te geven in het algemeen, de taal geschapen. Maar God heeft tegelijkertijd – door het niet laten voltooien van de Toren van Babel – verwarring geschapen onder zijn eigen onderdanen.13God heeft eigenhandig Babel gedeconstrueerd.

Na de visie van Voltaire te hebben besproken gaat Derrida in op twee verschillende vertalingen van het Bijbelse verhaal naar het Frans. De eerste vertaling vertaalt niet letterlijk, de tweede vertaling veel meer. Wat opvallend is, is dat beide vertalingen voor een deel van elkaar verschillen en dat daardoor het verhaal anders kan worden geïnterpreteerd. Wat naar voren komt is dat in beide vertalingen God de mensen straft. Derrida stelt vast dat God de mensen straft omdat zij een eigen unieke en universele geschiedenis van zichzelf hebben willen scheppen.14 God is zogezegd verantwoordelijk voor de verspreiding van de mens en de veelheid in talen. De bedoeling van God was om door de veelheid in talen ervoor te zorgen dat mensen elkaar niet meer begrepen. Door de veelheid aan talen heeft God de mogelijkheid gecreëerd tot vertalen – immers met een taal valt er weinig te vertalen -, maar God wilde dat mensen niet met elkaar zouden kunnen konden communiceren. Daarmee wordt door God zowel de mogelijkheid van als het verbod op vertalen gecreëerd. In dit licht stelt Derrida het volgende: ‘God deconstructs. Himself.’15 Een heel interessante vraag die Derrida in dit essay stelt is hoe men een tekst gaat vertalen als er in die tekst meer dan een taal wordt gehanteerd. Vertaling gaat normaliter uit van een tekst in de ene taal omzetten naar een andere taal, maar wat als er sprake is van twee talen in een tekst? En spreekt men dan eigenlijk nog wel van vertalen?16

Verderop in het essay gaat de Franse filosoof verder in op de eigennaam Babel. Hij stelt, zoals hierboven al vermeld dat Babel niet alleen maar een eigennaam is, maar ook een zelfstandig naamwoord. In de hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord staat Babel voor de verwarring van talen en de onherleidbare veelheid van talen.17 Babel blijft echter vertaald worden als eigennaam, namelijk als Babel. Gevolg is dat Babel na vertaling zowel de betekenis van de eigennaam in zich heeft als de betekenis van het zelfstandig naamwoord. Dit kan leiden tot verwarring. Babel wordt gebruikt als eigennaam maar roept meteen een associatie op met de betekenis van het zelfstandig naamwoord: ‘verwarring’. Hierbij speelt het gebruik van de hoofdletter ook nog een belangrijke rol. Derrida geeft hierbij een voorbeeld uit het Frans: pierre (zijnde: steen) en Pierre (zijnde: eigennaam). Bij vertaling zal, mits hoofdletters goed worden gebruikt, Pierre niet worden vertaald terwijl pierre dat wel zal worden. In het geval van Babel wordt dit lastig, omdat Babel – dus met hoofdletter-  wordt geïnterpreteerd als zowel eigennaam als zelfstandig naamwoord.

Tot slot bespreekt Derrida nog drie vormen van vertalen zoals die door Jakobson zijn geformuleerd. Allereerst kan er sprake zijn van intralinguïstische vertaling, hier wordt linguïstische tekens geïnterpreteerd aan de hand van andere tekens binnen eenzelfde taal. De tweede wijze van vertalen heeft betrekking op de interpretatie van linguïstische tekens op basis van een andere taal. Dit wordt interlinguïstisch genoemd. De laatste vorm van vertalen heeft betrekking op intersemiotische vertaling. Hier gaat het om de interpretatie van linguïstische tekens aan de hand van non-linguïstische tekens.18

Tot slot komt Derrida terug waar hij begon: de Toren van Babel. Doordat God ervoor zorgde dat de mensen verschillende talen gingen spreken en elkaar niet langer begrepen ligt de bron van het vertalen bij Babel.

Bibliografie

Evink 2002
Evink, C.E., Transcendentie en inscriptie. Jacques Derride en de hubris van de metafysica, Delft: Eburon, 2002.

Kamuf 1991
Kamuf, P.,  A Derride reader between the blinds, New York: Columbia University Press, 1991.

  1. Kamuf 1991, p. 270 []
  2. Kamuf 1991, p. 244-253 []
  3. Kamuf 1991, p. 275 []
  4. Evink 2002, p. 74-75 []
  5. Evink 2002, p. 75 []
  6. Evink 2002, p. 75 []
  7. Evink 2002, p. 76 []
  8. Evink 2002, p. 76 []
  9. Kamuf 1991, p. 244 []
  10. Kamuf 1991, p.244 []
  11. Kamuf 1991, p.244 []
  12. Kamuf 1991, 9. 245 []
  13. Kamuf 1991, p. 246 []
  14. Kamuf 1991, p. 248 []
  15. Kamuf 1991. P. 249 []
  16. Kamuf 1991, p. 250 []
  17. Kamuf 1991, p.250 []
  18. Kamuf 1991, p.252 []

De toekomst van de bibliofiel

Iedereen kent het beeld: een overvolle boekenkast met daarvoor nog een paar dozen vol met boeken, een charismatische chaos van boeken. Het is de boekenkast van de bibliofiel.
Nederlands meest bekende bibliofiel is hoogstwaarschijnlijk wijlen Gerrit Komrij. Hij had toen hij in 2012 overleed in zijn bibliotheek in Portugal om en nabij vijftigduizend boeken staan. In het vorig jaar verschenen boek Halfgod verzamelaar zijn alle boekgerelateerde essays van Komrij gebundeld. Hieruit komt het beeld naar voren van een echte bibliofiel. Dit is goed te zien in het volgende citaat: ‘De bibliofiel is een veelvraat, een slokop, een ordinaire opstapelaar. Boeken zijn voor hem geen doel, maar een middel.’1 De vraag die vandaag de dag gesteld kan worden is: hoe ziet de toekomst van de bibliofiel er eigenlijk uit? Want met de komst van het e-boek dreigt de overvolle boekenkast te veranderen in een flinterdunne tablet. Bestaat er over honderd jaar nog wel een bibliofiel?

Allereerst is het van groot belang om in beeld te hebben wie of wat een bibliofiel precies is. De Van Dale zegt hierover: 2Bibliofiel (de (m.)) liefhebber van boeken, m.n. als kunstvoorwerp, syn. boekenvriend.2 Hierbij levert Van Dale ook nog informatie over de etymologische herkomst van het woord. Het werd voor het eerst in het Nederlands gebruikt in 1872 en het woord is gevormd uit het Grieks en is een samenstelling uit biblion (boek) en philos (liefhebber).3

Naast deze informatie voegt het Lexicon van literaire termen hier belangrijke informatie aan toe: de bibliofilie is net zo oud als het boek zelf, na de uitvinding van de boekdrukkunst krijgt bibliofilie ook een plek binnen de burgerij. Zeker niet onbelangrijk is het om te vermelden dat er tegenwoordig uitgeverijen zijn die zich specialiseren in het uitgeven van bibliofiele uitgaven.4

Hoe hebben het e-boek en het digitale lezen zich in de afgelopen decennia ontwikkeld? Hoewel het fenomeen van de e-reader en het e-boek nog geen decennium bekend zijn bij het grote publiek, blijkt de digitale leeservaring al te beginnen in 1971 bij het Project Gutenberg. Dit project is gestart door Michael Hart en heeft alle teksten die niet voorzien waren van auteursrecht of waarvan dit verlopen was gedigitaliseerd. Deze teksten zijn nu op iedere tablet gratis verkrijgbaar. Het is algemeen bekend dat de verkoop van boeken – digitaal en papieren – terugloopt. Opvallend is dat de terugloop van boeken minder sterk is dan die van andere entertainmentproducten.

Hoe staat het e-boek ten opzichte van het papieren boek? De digitale revolutie met betrekking tot het lezen van boeken viert nog geen hoogtijdagen. Per verkocht e-boek worden er 36 papieren boeken verkocht. Toch laten de cijfers ook iets anders zien: de afname van het aantal totaal verkochte boeken in 2012 ten opzichte van 2011 is 6,3%, terwijl de verkoop van het digitale boek toeneemt: 70% meer e-boeken in 2012 ten opzichte van 2011. Het is echter wel een kleine rol die het e-boek tot nu toe speelt, het aandeel in het totaal aantal verkochte boeken is slechts 1,3%. De verwachting is wel dat de verkoop van e-boeken exponentieel zal gaan stijgen aangezien steeds meer mensen gebruik maken van een tablet of e-reader.5

Betekent deze verwachte exponentiële groei dan dat er over honderd jaar geen boekenverzamelaars meer zullen zijn? Daar ga ik niet vanuit. Dat is deels gestoeld op een prachtig essay van Gerrit Komrij dat is opgenomen in zijn boek Halfgod verzamelaar. Komrij haalt in dit essay aan hoe ooit werd verwacht dat met de komst van de computer het tijdperk van het papier geweest zou zijn. Komrij geeft hierin ook aan dat er na het verschijnen van de pc ontzettend veel boeken over de pc zijn verschenen.6 De verwachting rust ook op het historische feit dat nieuwe media zich te allen tijde geschikt hebben naast de bestaande media. De nieuwe media verdrijven de oude niet: de krant leeft voort ondanks het internet en de radio houdt zich staande naast de televisie. Daarnaast zal er een hele cultuuromslag nodig zijn om het einde van het gedrukte boek dichterbij te brengen. Veel boekliefhebbers hechten waarde aan het omslaan van de pagina en het kunnen onderstrepen van zinnen. Ik denk dan ook niet dat er een tijd zal komen waarin er louter zonder papier zal worden gelezen. Misschien is de wens vader van de gedachte, maar zolang het papieren boek bestaat zal de bibliofiel in leven blijven.

Bibliografie

Komrij 2012
Komrij, G., Halfgod verzamelaar. Een boek over boeken. Amsterdam: De bezige bij, 2012.

Gorp e.a. 2007
Gorp, H. van, Delabastia, D. & Ghesquière, R., Lexicon van literaire termen, 8e druk, Mechelen: Wolters Plantyn, 2007.

  1. Komrij 2012, p. 7 []
  2. Van Dale 2005, p. 411 []
  3. Van Dale 2005, p. 411 []
  4. Gorp e.a. 2007, p. 59 []
  5. Gegevens zijn afkomstig van de Koninklijke Vereniging van het Boekvak: http://www.kvb.nl/feiten-en-cijfers/kerncijfers []
  6. Komrij 2012, p.103-106 []